In deze pachtzaak stond centraal de vraag of het gepachte landbouwbedrijf nog bedrijfsmatig werd geëxploiteerd door de eerste gedaagde. De rechtbank heeft op basis van jurisprudentie en feiten vastgesteld dat het bedrijf, met een omvang van circa 20 hectare, nog steeds bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. Hierbij werd onder meer gekeken naar de samenhang tussen het paardenpension en de overige landbouwactiviteiten, de opbrengsten uit diverse bronnen en de investeringen die recentelijk zijn gedaan.
De rechtbank concludeerde dat de eerste gedaagde het gepachte nog steeds voor landbouwdoeleinden gebruikt en dat de vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst daarom werd afgewezen. Vervolgens werd de vraag behandeld of de tweede gedaagde voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering als medepachter. Gelet op zijn opleiding, betrokkenheid bij het bedrijf en het ondernemingsplan, oordeelde de rechtbank dat hij geschikt is als medepachter.
De subsidiaire vordering tot indeplaatsstelling werd niet behandeld vanwege de toewijzing van het medepachterschap. Ten slotte werden de eisers veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door de pachtkamer van de rechtbank Rotterdam op 9 maart 2017.