Eiser ontving een WW-uitkering met een dagloon van €60,95, vastgesteld op basis van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen per 1 juli 2015. Eiser voerde aan dat deze berekening onredelijk was omdat het loon over het refertejaar werd gedeeld door 261 dagen, terwijl hij niet gedurende het gehele jaar loon had genoten, wat in strijd zou zijn met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW.
De rechtbank overwoog dat het recht op dagloongarantie niet was geschonden omdat de eerdere WW-uitkering was geëindigd door het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Wel oordeelde de rechtbank dat de huidige berekeningswijze van het dagloon niet mag leiden tot een onredelijk resultaat dat het welvaartsniveau onvoldoende weerspiegelt.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en stelde vast dat de toepassing van het Dagloonbesluit per 1 juli 2015 in dit geval in strijd is met het verzekeringsprincipe van de WW. De rechtbank wees op een aangekondigde tegemoetkoming die eiser per 1 april 2017 zou ontvangen, met een hoger dagloon van €92,43.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder het dagloon met ingang van 4 januari 2016 opnieuw moet vaststellen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.