Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het vonnis in het 843a Rv-incident van 21 september 2016,
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 30 januari 2017 en de daarin genoemde brieven met bijlagen.
2.De feiten
Artikel 1. Aanvang, omvang en duur overeenkomst
Betreft: Beëindiging overeenkomst
3.Het geschil
4.De beoordeling
senior staffis vereist. Dit laatste is door [eiser] niet weersproken. Uit productie 6 bij de inleidende dagvaarding volgt voorts onbestreden dat [eiser] binnen de organisatie van EY ook daadwerkelijk bij de
senior staffwerd ingedeeld. Aldus staat vast dat EY FF heeft aangezocht om een
senior staffmedewerker te zoeken, waarbij FF uiteindelijk bij [eiser] terecht is gekomen. Tussen partijen staat vervolgens ter discussie (1) of [eiser] al dan niet aan die kwalificatie voldeed en (2) of er op dit punt onjuiste gegevens zijn verstrekt als bedoeld in artikel 4 lid 4 van Pro de tussen EY en FF gesloten overeenkomst. In de visie van [eiser] kan van dit laatste alleen sprake zijn indien – kort gezegd – opzettelijk of bewust foutieve informatie is gegeven. Derhalve zal de vraag moeten worden beantwoord hoe artikel 4 lid 4 van Pro de tussen EY en FF gesloten overeenkomst moet worden uitgelegd, een en ander aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
.Uit die verklaringen en e-mailberichten volgt dat [eiser] in de maand november niet het vereiste niveau had omdat hij langzaam en slordig werkte, dat hij voorts niet beschikte over de vereiste zelfstandigheid en dat een en ander hem ook is medegedeeld. [eiser] heeft hiertegenover slechts aangevoerd dat hij meer dan tien jaar werkervaring heeft en dat hij graag zou willen bewijzen dat hij (wel) de kwalificaties heeft van een senior staff medewerker. Hij heeft echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht ter weerlegging van de stelling van EY dat [eiser] het “wegtikken van de jaarrekeningen”, waarvoor [eiser] was aangezocht, niet naar behoren wist uit te voeren. Aldus moet het er in rechte voor worden gehouden dat [eiser] niet voldeed aan de verwachtingen die door FF bij EY waren gewekt c.q. dat [eiser] niet kon worden ingezet voor de werkzaamheden waarvoor hij was aangetrokken. Voorts staat vast dat [eiser] op 30 november 2015 in het gesprek met mevrouw [medewerkster EY] van EY is meegedeeld dat de werkzaamheden van [eiser] bij NNIP per direct zouden eindigen en is door [eiser] niet gemotiveerd betwist dat hem daarbij verschillende voorbeelden van het niet naar behoren uitvoeren van werkzaamheden zijn meegedeeld. Gelet op al het voorgaande stond het EY in principe vrij om reeds op dat moment de overeenkomst met FF op te zeggen en de samenwerking met [eiser] te beëindigen. EY heeft echter willen bezien of [eiser] eventueel nog ingezet zou kunnen worden bij een andere cliënt van EY: Van Lanschot en wel voor werkzaamheden op een lager niveau, te weten dat van
junior staff.Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat EY bij hem verwachtingen heeft gewekt dat hij daadwerkelijk voor EY zou kunnen blijven werken en dat het desondanks opzeggen van de opdracht met FF om die reden jegens hem onrechtmatig moet worden geacht, geldt het volgende.
senior staffwel als een optie te zien, maar daartegenover staat dat [eiser] even zoveel keren te kennen heeft gegeven liever te willen terugkeren bij NNIP en dat [eiser] uitdrukkelijk daarop bleef aandringen. Een voorbeeld is te vinden in het e‑mailbericht van [eiser] aan mevrouw [medewerkster EY] van EY van 14 december 2015 waarin [eiser] schreef:
het Van Lanschot team (…) zou nog steeds een optie kunnen zijn. Ik denk wel (…) dat ik gewoon voor het NN team aan de slag ga, dat is iniedergeval mijn 1e voorkeur.” (prod. 15 bij de inleidende dagvaarding).
busy seasonwas en EY in de gegeven omstandigheden er geen vertrouwen in had dat [eiser] daadwerkelijk bereid was om werkzaamheden – op een lager niveau – bij Van Lanschot te gaan verrichten, kan niet worden gezegd dat EY, door de opdrachtovereenkomst met FF op te zeggen en aldus de samenwerking met [eiser] te beëindigen, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Al eerder in het vonnis werd overwogen dat en waarom EY contractueel gezien niet eens gehouden was om [eiser] andere of vervangende werkzaamheden aan te bieden.
busy seasonbij het beëindigen van de overeenkomst door EY nog niet was begonnen zodat er nog tijd was voor [eiser] om elders werk te vinden.
verplichtingenuit hoofde van die overeenkomst (zie hierboven onder 2.2., art 1 lid Pro 3). De conclusie blijft derhalve dat de overeenkomst tussen FF en EY door EY rechtsgeldig is opgezegd, waarna ook de overeenkomst tussen FF en [eiser] tot een einde kwam.
904,00(2,0 punten × tarief II ad € 452,00 per punt)