Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verzoeker]
Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM),
Procesverloop
Overwegingen
De voorzieningenrechter volgt dit betoog van [verzoeker] dan ook niet.
Op 30 augustus 2016 heeft een overleg tussen twee toezichthouders en twee boetefunctionarissen plaatsgevonden naar aanleiding van een signaal van de curator dat [verzoeker] contact met een toezichthouder heeft opgenomen over het geven van een zienswijze. Dit contact bleek geen betrekking te hebben op dit dossier. Daarnaast is tijdens het overleg op 30 augustus 2016 besproken of geheimhouding moet worden betracht ten opzichte van de curator en of dit dossier voor overdracht aan de boetefunctionaris is besproken in het overleg tussen de AFM, het Openbaar Ministerie en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, wat het geval bleek te zijn.
Op 3 november 2016 heeft een overleg plaatsgevonden tussen twee boetefunctionarissen en een toezichthouder, waarbij feitelijke vragen zijn gesteld aan de toezichthouder. Van dit overleg is een verslag gemaakt. Na de beslissing van 3 maart 2017 van de rechter‑commissaris heeft de AFM dit stuk aan het dossier toegevoegd.
heeft ter zitting herhaald dat de vastgoedcertificaathouders steeds goed zijn ingelicht en dat de stichting waarin zij zich hadden verenigd steeds op de hoogte is gehouden van de ontwikkelingen en heeft ingestemd met de informatieverstrekking aan de certificaathouders. Hiermee weerlegt [verzoeker] niet de gemotiveerde conclusie van de AFM dat [bedrijf 1] en niet de stichting verantwoordelijk was voor het informeren van de beleggers en weerlegt hij evenmin de gemotiveerde conclusie dat [bedrijf 1] hierin op de door de AFM vermelde punten is tekortgeschoten.
Verder heeft [verzoeker] ter zitting gesteld dat de beleggers tijdig zijn ingelicht over het inleveren van de AFM-vergunning, dat de AFM dit proces heeft vertraagd en dat het beheer van [de bedrijven] door [bedrijf 1] niet vergunningplichtig was. Dit laatste is niet in geschil. Het verwijt van de AFM op dit punt is dat [bedrijf 1] de vergunning van de AFM als wervend heeft gebruikt en dat het gelet op die keuze op haar weg had gelegen de certificaathouders tijdig te informeren over het inleveren van die vergunning. [verzoeker] heeft weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd dat deze informatie eerder dan op 2 maart 2015 is verstrekt. [verzoeker] heeft overigens niet gesteld dat deze informatie niet essentieel was.
Verder heeft [verzoeker] ter zitting opgemerkt dat hij niet wenste te reageren op een dossier dat niet compleet was. Dit argument overtuigt de voorzieningenrechter niet, nu uit 5.3. volgt dat [verzoeker] in elk geval sinds 13 september 2016 beschikte over het complete dossier. Ook had hij voor het onderbouwen van zijn standpunt kunnen putten uit de 170 ordners van [bedrijf 1] waarover hij naar eigen zeggen beschikt.
In reactie op de opmerking van de curator en [verzoeker] dat openbaarmaking van het bestreden besluit de kans op een crediteurenakkoord verkleint, merkt de AFM niet ten onrechte op dat de curator en [verzoeker] blijkbaar verwachten dat zich bij openbaarmaking van het bestreden besluit nieuwe schuldeisers zullen melden, zodat openbaarmaking van het bestreden besluit ook in het belang van deze mogelijk gedupeerden kan worden geacht.