Eiseres kreeg drie bestuurlijke boetes opgelegd door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wegens overtredingen van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen en het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen. De boetes betroffen het onvoldoende gekoeld houden van bederfelijke eetwaren, onvoldoende schoonmaak van apparatuur die met voedsel in aanraking komt, en onvoldoende schone en onderhouden bedrijfsruimten.
Eiseres betwistte de overtredingen met name de schoonmaaktoestand van de keuken en apparatuur, en stelde dat de boetes onevenredig hoog waren. De rechtbank oordeelde dat de rapportage van de controleambtenaar betrouwbaar was en de geconstateerde vervuiling niet als normaal dag- of werkvuil kon worden aangemerkt, maar duidde op structureel onvoldoende schoonhouden.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en oordeelde dat de minister bevoegd was de boetes op te leggen en dat het boetebedrag passend was binnen het wettelijk kader. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.