Eiseres ontving loonkostensubsidies op basis van subsidiebeschikkingen met specifieke voorwaarden over arbeidsovereenkomsten en uren. Verweerder stelde de subsidie lager vast en vorderde terugbetaling omdat werknemers minder uren hadden gewerkt dan in de arbeidsovereenkomsten was overeengekomen.
Eiseres stelde dat de lagere vaststelling en terugvordering niet waren gebaseerd op de voorwaarden in de subsidiebeschikkingen en dat zij mocht vertrouwen op het toegekende subsidiebedrag. De rechtbank oordeelde dat de lagere vaststelling niet terug te voeren was op de voorwaarden en dat eiseres geen gerechtvaardigd vertrouwen had op het toegekende bedrag zolang de subsidie niet was vastgesteld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herrolde het primaire besluit, waarbij de subsidie werd vastgesteld op het volledige bedrag van € 451.481,94. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard wegens strijd met artikel 4:46, tweede lid, Awb.