ECLI:NL:RBROT:2017:306
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Boete wegens overtreding vergunningplicht betaaldiensten Wet financieel toezicht
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen een door De Nederlandsche Bank opgelegde bestuurlijke boete van €50.000 wegens het zonder vergunning verlenen van betaaldiensten, in strijd met artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
DNB stelde vast dat eiser in de periode van 1 maart 2012 tot 3 november 2014 als betaaldienstverlener actief was zonder vergunning. Eiser erkende deze overtreding. De boete werd vastgesteld op basis van een basisbedrag van €2.000.000, verhoogd met 25% vanwege verwijtbaarheid, en vervolgens gematigd tot €50.000 vanwege draagkracht.
Eiser voerde aan dat de boete onevenredig is vanwege zijn beperkte draagkracht en ziekte. De rechtbank oordeelde dat DNB terecht rekening hield met draagkracht, maar dat eiser onvoldoende controleerbare gegevens aanleverde om verdere matiging te rechtvaardigen. Ook zijn ziekte leidt niet tot vermindering van de boete.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete van €50.000 wegens het zonder vergunning verlenen van betaaldiensten wordt ongegrond verklaard.