ECLI:NL:RBROT:2017:3117

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2017
Publicatiedatum
24 april 2017
Zaaknummer
C/10/507801 / FT EA 16/1953
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsanering wegens ontbreken toestand van opgehouden te betalen

Verzoeker heeft op 10 augustus 2016 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Hij heeft inkomsten uit arbeid en een schuldenlast van circa €53.720,80. De rechtbank heeft verzoeker gehoord tijdens zittingen op 14 november 2016, 27 december 2016 en 3 februari 2017 en diverse schriftelijke stukken bestudeerd.

De schuldeisers bestaan uit de Belastingdienst, zijn ex-vrouw, diens ouders, GPS-Buddy Nederland B.V. en CZ. De Belastingdienst heeft loonbeslag gelegd, maar verzoeker woont sinds december 2016 bij zijn vriendin. De Belastingdienst wilde niet meewerken aan een betalingsregeling, terwijl andere schuldeisers bereid zijn te wachten en een regeling te treffen. Verzoeker stelt dat hij binnen vijf jaar al zijn schulden kan aflossen.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker momenteel niet verkeert in een toestand van opgehouden te betalen en ook niet aannemelijk is dat hij niet zal kunnen voortgaan met betalen. Het loonbeslag alleen is onvoldoende bewijs. Ook de bereidheid van schuldeisers tot uitstel en betalingsregelingen en de verklaring van verzoeker wegen mee. Daarnaast is de schuld aan de ex-vrouw grotendeels het gevolg van een terugbetalingsafspraak die niet verenigbaar is met toelating tot schuldsanering.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toelating tot de WSNP af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van toestand van opgehouden te betalen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 10 februari 2017
[naam 1],
[adres]
[woonplaats]
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 10 augustus 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzittingen van 14 november 2016, 27 december 2016 en 3 februari 2017.
De rechtbank heeft nog kennis genomen van de volgende stukken:
brief d.d. 10 oktober 2016 met bijlagen van [naam 2] , schuldeiser;
brief d.d. 13 oktober 2016 met bijlagen van [naam 3] en [naam 4] ,
schuldeisers;
brief d.d. 20 december 2016 met bijlagen van verzoeker;
brief d.d. 12 januari 2017 van verzoeker, in reactie op de onder a) en b) genoemde brieven.
De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 53.720,80.

3.De beoordeling

Op grond van artikel 284 lid 1 van Pro de Faillissementswet (hierna: Fw) kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Verzoeker heeft vijf schuldeisers, te weten de Belastingdienst, zijn ex-vrouw [naam 2] , zijn ex-schoonouders [naam 3] en [naam 4] , GPS-Buddy Nederland B.V. en CZ.
Verzoeker heeft verklaard dat de Belastingdienst in juni 2016 beslag heeft gelegd op zijn loon in verband met de openstaande belastingschuld. In verband met het loonbeslag is verzoeker eind december 2016 gaan inwonen bij zijn vriendin in Krimpen aan den Lek.
Verzoeker heeft, op verzoek van de rechtbank, na de zitting van 10 oktober 2016 getracht met zijn schuldeisers een regeling te treffen. De Belastingdienst wilde daar niet aan meewerken. [naam 2] heeft – onder meer – laten weten dat zij wel een regeling wil treffen en bereid is twee jaar te wachten totdat verzoeker zijn andere schuldeisers heeft betaald. Ook [naam 3] en [naam 4] hebben aangegeven een regeling te willen treffen en zijn bereid te wachten tot de belastingschuld is betaald, uiterlijk tot november 2017. De schuld aan CZ bedraagt volgens de brief van CZ van 2 december 2016 € 274,88. CZ heeft in die brief voorgesteld dit bedrag in te lopen met € 10,-- per maand. Verzoeker heeft dit voorstel als “heel redelijk” gekwalificeerd. De schuld aan GPS-Buddy bedraagt volgens het verzoekschrift € 471,90. Van deze schuldeiser heeft verzoeker niets vernomen.
De schuld aan de Belastingdienst bedraagt volgens het zich in het dossier bevindende overzicht van 22 december 2016 in totaal € 13.638,91, waarvan een bedrag van in totaal € 7.734,-- betrekking heeft op 2016. De schuld wordt door middel van het loonbeslag met bedragen tussen de € 500,-- en € 1.000,- per maand ingelopen, aldus verzoeker. Verzoeker heeft voorts gesteld dat de aanslagen over 2016 niet juist zouden zijn, evenals een door hem inmiddels ontvangen aanslag over 2017. Aangenomen mag dat verzoeker alles zal doen wat in zijn macht ligt (aangifte over 2016, bezwaar tegen de voorlopige aanslag 2017) om de in zijn ogen onterechte aanslagen terug te draaien. Dit betekent dat het mogelijk is dat de schuld aan de belastingschuld ultimo 2017 zal zijn ingelost. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij in vijf jaar al zijn schulden zou moeten kunnen aflossen, als hij de ruimte krijgt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verzoeker thans niet verkeert in een toestand van opgehouden zijn te betalen en evenmin dat te voorzien is dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. De enkele omstandigheid dat de Belastingdienst loonbeslag heeft gelegd is onvoldoende om het bestaan van die toestand op dit moment aan te kunnen nemen dan wel het oordeel te rechtvaardigen dat die toestand zich binnenkort zal voordoen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat CZ bereid is akkoord te gaan met een aflossing van € 10,-- per maand, GPS-Buddy een betrekkelijk lage vordering heeft en geen enkele incassomaatregel heeft genomen en [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (vooralsnog) bereid zijn te wachten en op termijn een afbetalingsregeling willen treffen. Tot slot is in aanmerking genomen de eigen verklaring van verzoeker dat hij binnen vijf jaar al zijn schulden zou moeten kunnen inlossen.
Dit leidt er toe dat verzoeker op dit moment niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.
De rechtbank voegt daar nog aan toe, dat ook indien wel sprake was geweest van een toestand dan wel dat voorzienbaar zou zijn dat die toestand zich binnenkort voordoet, verzoeker niet zou zijn toegelaten. Daartoe wordt – ten overvloede – het volgende overwogen.
De schuld aan [naam 2] is voor het grootste deel (€ 21.280,--) het gevolg van het feit dat [naam 2] na de scheiding in de – ten behoeve van de meervoudig gehandicapte dochter volledig aangepaste – gezamenlijke woning is blijven wonen. [naam 2] heeft toen op eigen naam een hypotheek af moeten sluiten. Omdat verzoeker op dat moment geen financiële ruimte had heeft [naam 2] het deel van de restschuld van de woning van verzoeker, te weten € 21.280,--, meegefinancierd, aldus [naam 2] . Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting van 14 november 2016 verklaard dat hij inderdaad eind 2015 de afspraak heeft gemaakt om dit bedrag aan [naam 2] terug te betalen, maar dat hij daar op dat moment geen ruimte voor had.
De rechtbank begrijpt de afspraak aldus, dat het de bedoeling van partijen was dat de schuld aan [naam 2] op termijn zou worden terugbetaald, namelijk op het moment dat verzoeker daartoe – weer – toe in staat zou zijn. Een dergelijke afspraak valt niet te verenigen met een verzoek tot toelating tot de schuldsanering een jaar later.
Ook dit zou aan toelating in de weg hebben gestaan.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van N. van Gaans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017. [1]