ECLI:NL:RBROT:2017:3123
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot omzetting faillissement naar schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot opheffing van zijn faillissement met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De curator heeft negatief geadviseerd en zowel verzoeker als curator zijn gehoord. De rechtbank oordeelt dat verzoeker ontvankelijk is, maar dat het verzoek wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat verzoeker te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Verzoeker heeft een aanzienlijke schuld aan een vennootschap uit hoofde van een rekening-courantverhouding en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij deze schuld kon terugbetalen, vooral na zijn echtscheiding. Daarnaast is hij aansprakelijk gesteld voor een tekort in het faillissement van zijn eigen onderneming wegens onbehoorlijk bestuur. Zijn betwisting van deze aansprakelijkheid is onvoldoende onderbouwd.
Verder heeft verzoeker na het faillissement niet aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft ingespannen om een hoger inkomen te verkrijgen, terwijl hij daarvoor wel mogelijkheden had. De rechtbank concludeert dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest en dat er geen feiten zijn die toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot omzetting van het faillissement naar de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.