ECLI:NL:RBROT:2017:3429

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 mei 2017
Publicatiedatum
8 mei 2017
Zaaknummer
16/1920
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:48 AwbArt. 2.6.12 RsaArt. 2.6.9 RsaArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking persoonsgebonden budget wegens ondeugdelijke verantwoording

Eiser had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen dat door verweerder per 1 januari 2013 is ingetrokken wegens niet-naleving van administratieve verplichtingen. Verweerder stelde vast dat de verantwoording van het pgb niet cijfermatig en controleerbaar aansloot op de zorgovereenkomst, declaraties en betalingen. Er waren onder meer verschillen in loonbedragen, factuurnummers, uren en bedragen die niet konden worden verklaard.

Eiser gaf toelichtingen, maar deze boden onvoldoende opheldering. De rechtbank oordeelde dat de verschillen niet slechts kleine onvolkomenheden waren, maar dat de administratie als geheel onvoldoende betrouwbaar was om de besteding van het pgb te verantwoorden. Verweerder mocht daarom het pgb intrekken.

Daarnaast had eiser een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank stelde vast dat de termijn sinds ontvangst van het bezwaarschrift ruim twee jaar bedroeg, wat de redelijke termijn overschreed. Daarom werd verweerder veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding.

De rechtbank wees het beroep tegen het bestreden besluit af en stelde partijen in staat om zorg in natura te ontvangen. Partijen bereikten overeenstemming over de proceskosten, zodat de rechtbank zich daarover niet hoefde uit te spreken.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het persoonsgebonden budget wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummers: ROT 16/1920

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 mei 2017 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiser,

gemachtigde: mr. R. Kaya,
en

de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V.,

voorheen Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder,
gemachtigde: mr. C. Hartman.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover thans nog van belang, het eiser eerder toegekende persoonsgebonden budget (pgb) met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken.
Bij besluit van 24 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder – voor zover thans nog van belang – het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 30 maart 2017 heeft eiser de rechtbank verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Namens eiser is verschenen mr. T.M.J. Oosterhuis, kantoorgenote van eisers gemachtigde, vergezeld van G. Boztepe, zorgverlener bij Zorgende hand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.
In geschil is de intrekking van het pgb. Op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan – in dit geval: verweerder – de subsidieverlening – in dit geval: het verleende pgb – intrekken indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
Op grond van artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), zoals deze luidde ten tijde van belang, kan het zorgkantoor de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens artikel 2.6.9 van de Rsa opgelegde overige verplichtingen niet nakomt.
In artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rsa is (onder meer) bepaald dat de verzekerde een schriftelijke overeenkomst sluit met de zorgverlener of zorgverlenende instantie waarin ten minste de volgende afspraken zijn opgenomen: declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend; een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het sociaal-fiscaal nummer en de naam van de zorgverlener en wordt door de zorgverlener ondertekend; een declaratie van een zorgverlenende instantie bevat het nummer waarmee die instantie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of etmalen.
1.2.
Naar kan worden afgeleid uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3212) dienen bij de verantwoording door de verzekerde van het pgb de zorgovereenkomst, de declaraties, de betalingen en de verantwoording van het pgb cijfermatig (qua uren en bedragen) op elkaar aan te sluiten en dienen opgetreden verschillen aan verweerder te kunnen worden uitgelegd. Het gaat erom dat op een volledige, eenduidige en objectief verifieerbare wijze wordt aangetoond hoe het pgb is besteed.
2.1.
Verweerder heeft aan de intrekking op de grond dat eiser niet aan de genoemde administratieve verplichtingen heeft voldaan, onder meer de volgende bevindingen ten grondslag gelegd:
- de voorschotten op het pgb zijn voorafgaand aan de zorgverlening vrijwel in zijn geheel aan de zorgverlenende instantie, Zorgende hand, overgemaakt;
- het in de zorgovereenkomst overeengekomen loon komt niet overeen met de facturen van Zorgende hand;
- voor het kalenderjaar 2013 zijn er twee verschillende op 2 januari 2013 ondertekende zorgovereenkomsten: in de ene is een loon van € 2.960,- en in de andere een loon van € 2.914,- per maand overeengekomen;
- het aantal uren per maand op de facturen stemt niet overeen met het aantal uren per maand in de zorgovereenkomst;
- in opgestelde “wijzigingsovereenkomsten” zijn noch het loon, noch de data van geleverde zorg vermeld;
- op facturen van andere cliënten van Zorgende hand worden dezelfde factuurnummers gebruikt;
- over een aantal maanden heeft Zorgende hand hetzelfde aantal zorguren gedeclareerd, maar verschillen de factuurbedragen van elkaar;
- voor de maand mei 2013 zijn drie facturen overgelegd met verschillende aantallen uren en bedragen;
- onduidelijk is wie wanneer zorg heeft verleend: niet alle zorg kan zijn verleend door G. Boztepe en uit de overgelegde administratie is niet duidelijk geworden wie de zorg wel heeft verleend.
2.2.
In bedragen gaat het over 2013 om verschillen tussen € 34.866,- (verantwoord), € 34.968,- (zorgovereenkomst), € 34.566,25 (facturen) en € 34.576,25 (bankafschriften).
Over 2014 gaat het om verschillen tussen € 27.532,79 (verantwoord), € 33.600,- (zorgovereenkomst), € 27.411,23 (facturen) en € 36.165,34 (bankafschriften).
3.1.
Eiser heeft op een aantal van de genoemde punten toelichtingen gegeven, uitgelegd hoe het zo gekomen is of verklaard wat er bedoeld is, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarmee toch onvoldoende opheldering gegeven en kan niet worden geoordeeld dat alleen sprake is van kleine onvolkomenheden, waaraan slechts geringe betekenis toekomt. Doorslaggevend is dat ook met eisers toelichting, uitleg en verklaring geen cijfermatige en controleerbare aansluiting tussen de verantwoording, zorgovereenkomst, declaraties en betalingen is gegeven en dat evenmin is voorgerekend hoe de cijfermatige verschillen kunnen worden verklaard. Dat niet alle verschillen even groot zijn, doet hier niet aan af, omdat uit het bestaan van de verschillen volgt dat uit de administratie als geheel geen betrouwbare conclusies over de besteding van het pgb kunnen worden getrokken. Verweerder heeft daarom gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid het pgb in te trekken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden. In het bijzonder schuilen die niet in een ter zitting besproken besluit ten aanzien van een andere, bij name genoemde cliënt van Zorgende hand, aangezien uit dat besluit niet kan worden afgeleid dat in die zaak van dezelfde, hiervoor onder 2.1 vermelde onduidelijkheden of ongerijmdheden sprake was. Verweerder heeft voorts in aanmerking genomen dat niet ter discussie staat dat eiser zorg nodig heeft, maar dat hij deze ook in de vorm van zorg in natura kan krijgen. De rechtbank tekent daarbij aan dat zorg in natura juist ook aangewezen lijkt in situaties waarin degene die zorg behoeft onvoldoende in staat is – en het gestelde directe doorbetalen van het ontvangen pgb om te voorkomen dat het geld aan andere zaken zou worden uitgegeven, lijkt daarvoor een aanwijzing te kunnen zijn – om te voldoen aan de administratieve verplichtingen die aan een pgb zijn verbonden.
3.2.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.
4.1.
Eiser heeft voorts een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verweerder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.2.
Naar vaste rechtspraak (samengevat in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) is in zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan in beginsel een totale behandelduur van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak. In dit geval is sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 25 februari 2015 tot heden een termijn van ruim twee jaar verstreken. Overschrijding van de redelijke termijn dient in beginsel te leiden tot toekenning van een schadevergoeding van € 500,- per half jaar waarmee deze is overschreden, waarbij naar boven wordt afgerond. Hiervan uitgaande heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 500,-. Feiten of omstandigheden die aanleiding geven het bedrag van de schadevergoeding hoger of lager vast te stellen, zijn gesteld noch gebleken. Nu de beroepsfase bij de rechtbank gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 15 maart 2016 tot heden niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd, komt de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van verweerder. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de proceskosten, zodat de rechtbank zich daarover niet behoeft uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. M.C. Snel-van den Hout en prof. mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.