ECLI:NL:RBROT:2017:3429
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking persoonsgebonden budget wegens ondeugdelijke verantwoording
Eiser had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen dat door verweerder per 1 januari 2013 is ingetrokken wegens niet-naleving van administratieve verplichtingen. Verweerder stelde vast dat de verantwoording van het pgb niet cijfermatig en controleerbaar aansloot op de zorgovereenkomst, declaraties en betalingen. Er waren onder meer verschillen in loonbedragen, factuurnummers, uren en bedragen die niet konden worden verklaard.
Eiser gaf toelichtingen, maar deze boden onvoldoende opheldering. De rechtbank oordeelde dat de verschillen niet slechts kleine onvolkomenheden waren, maar dat de administratie als geheel onvoldoende betrouwbaar was om de besteding van het pgb te verantwoorden. Verweerder mocht daarom het pgb intrekken.
Daarnaast had eiser een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank stelde vast dat de termijn sinds ontvangst van het bezwaarschrift ruim twee jaar bedroeg, wat de redelijke termijn overschreed. Daarom werd verweerder veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding.
De rechtbank wees het beroep tegen het bestreden besluit af en stelde partijen in staat om zorg in natura te ontvangen. Partijen bereikten overeenstemming over de proceskosten, zodat de rechtbank zich daarover niet hoefde uit te spreken.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het persoonsgebonden budget wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.