Op 16 januari 2017 vond een woninginbraak plaats te Rotterdam waarbij onder meer een autosleutel en geld werden weggenomen. Verdachte werd ervan beschuldigd medeplichtig te zijn aan deze inbraak door op de uitkijk te staan terwijl medeverdachten de woning binnengingen.
Tijdens de terechtzitting op 21 april 2017 heeft de rechtbank het bewijs onderzocht, waaronder verklaringen en het politieonderzoek. De officier van justitie vorderde vrijspraak van het primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde met een gevangenisstraf van vijf maanden.
De rechtbank oordeelde echter dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte medeplichtig was. Er ontbrak direct bewijs en ook de circumstantial evidence was onvoldoende om betrokkenheid aan te tonen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €444,71 plus wettelijke rente. De rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk omdat geen straf of maatregel werd opgelegd aan verdachte, waardoor artikel 9a Sr niet van toepassing was. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten, begroot op nihil.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 4 mei 2017, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis tekenden.