De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 mei 2017 de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van woninginbraak op 16 januari 2017 in Rotterdam. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden wegens het plegen van de inbraak, waarbij onder meer een autosleutel en geld waren weggenomen.
Tijdens de terechtzitting werd vastgesteld dat de politie braaksporen bij de woning aantrof, de balkondeur openstond en de woning overhoop was gehaald. De verdachte werd kort na de melding samen met een medeverdachte aangetroffen in de bosschages achter de woning, nabij een autosleutel die bij de inbraak was meegenomen.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte betrokken was bij de inbraak. Er ontbrak direct bewijs en ook geen aanwijzingen voor medeplegen. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. De verdachte werd vrijgesproken en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten.