De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 mei 2017 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van woninginbraak te Rotterdam op 16 januari 2017. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens medeplegen van inbraak.
Tijdens de terechtzitting werd vastgesteld dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte betrokken was bij de inbraak. Hoewel politie braaksporen en de verdachte in de nabijheid van de woning aantrof, ontbrak elk direct bewijs van zijn betrokkenheid bij de inbraak zelf. De rechtbank oordeelde dat de beschikbare gegevens slechts circumstantial evidence waren en onvoldoende steunbewijs ontbrak.
De verdediging voerde tevens aan dat onrechtmatig politiegeweld was toegepast, maar dit werd niet verder besproken omdat verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €444,71, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel tegen verdachte werd opgelegd. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten.
De rechtbank sprak verdachte vrij, hief het bevel tot voorlopige hechtenis op en wees de schadevordering af. Het vonnis werd gewezen door drie rechters onder voorzitterschap van M.K. Asscheman-Versluis.