Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 10 oktober 2016, met producties;
- de akte uitlaten zijdens [eiser] van 30 november 2016.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure heeft eiser het griffierecht niet binnen de wettelijk gestelde termijn van vier weken na de eerste verschijning voldaan, waardoor de rechtbank gedaagde van de instantie ontslaat op grond van artikel 127a lid 2 Rv. Eiser voerde een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv aan, stellende dat een menselijke fout had geleid tot het verkeerd archiveren van de griffierechtnota en dat beslag op zijn AOW-uitkering een bijzondere omstandigheid vormde.
De rechtbank oordeelt dat eiser, bijgestaan door een advocaat, had moeten zorgen voor tijdige betaling en dat de menselijke fout voor zijn risico komt. Het beslag op de uitkering en de inhouding van een klein bedrag vormen geen omstandigheden die een onbillijkheid van overwegende aard rechtvaardigen. De rechtbank wijst het beroep op de hardheidsclausule af.
Daarmee ontslaat de rechtbank gedaagde van de instantie en veroordeelt eiser in de proceskosten, begroot op €79 aan griffierecht. Eiser kan de procedure hervatten door gedaagde opnieuw te dagvaarden, maar de huidige procedure wordt beëindigd.
Uitkomst: Gedaagde wordt ontslagen van de instantie wegens niet tijdige betaling van het griffierecht; beroep op hardheidsclausule wordt afgewezen.