ECLI:NL:RBROT:2017:3587
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek dwangsom wegens niet aannemelijk gemaakte ingebrekestelling
Eiser heeft bij brief van 6 april 2016 een verzoek tot inzage en afgifte van een dossier ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming. Nadat verweerder niet tijdig had beslist, stelde eiser beroep in en verzocht om toekenning van een dwangsom wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat eiser de verzending van de ingebrekestelling van 7 mei 2016 niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat geen verzendbewijs is overgelegd. Het enkele bewijs van aankoop van postzegels en de stelling dat de postverwerking bij verweerder regelmatig faalt, is onvoldoende. Hierdoor is niet voldaan aan de vereiste ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 4:17, derde lid, Awb.
Omdat verweerder inmiddels alsnog heeft beslist op het verzoek van 6 april 2016, is het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Ook het beroep tegen het besluit zelf is niet-ontvankelijk, omdat het besluit inhoudelijk tegemoetkomt aan het verzoek van eiser.
De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van een dwangsom af en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, bestaande uit reiskosten van €12,22 en vergoedt het betaalde griffierecht van €168,-. De uitspraak is gedaan door rechter D. Brugman op 12 mei 2017.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot vaststelling van een dwangsom wordt afgewezen wegens het ontbreken van bewijs van verzending van de ingebrekestelling.