De Passagier had een vlucht geboekt van San Francisco naar Amsterdam via Frankfurt, die op 11 november 2015 werd geannuleerd vanwege een staking van het cabinepersoneel van de Vervoerder, Deutsche Lufthansa AG. De Passagier bereikte haar eindbestemming met een vertraging van meer dan vier uur en vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De Vervoerder stelde zich op het standpunt dat de staking een buitengewone omstandigheid vormde waardoor zij niet tot compensatie gehouden zou zijn. De rechtbank beoordeelde de internationale bevoegdheid en concludeerde dat de rechtbank Rotterdam bevoegd was wegens een stilzwijgende forumkeuze van de Vervoerder.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat een staking van eigen personeel in beginsel niet snel kan worden aangemerkt als buitengewone omstandigheid, omdat het personeelsbeleid tot de normale bedrijfsvoering behoort en de luchtvaartmaatschappij daarop invloed kan uitoefenen. De Vervoerder had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de staking onverwacht was en niet te voorkomen. Daarom werd het beroep op buitengewone omstandigheden verworpen en werd de Passagier de volledige compensatie van €600 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
De Vervoerder werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.