Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2017:3807

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 april 2017
Publicatiedatum
18 mei 2017
Zaaknummer
C/10/518367 / FT EA 17/45
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetArt. 285 lid 1 sub f Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende maximaal haalbaar aanbod

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij een betaling van 8,14% over 24 maanden voorstelde. De regeling is gebaseerd op haar inkomen uit een dienstverband van 34 uur per week, later 36 uur. Beide schuldeisers, die samen 100% van de schuld vertegenwoordigen, weigeren in te stemmen met het aanbod.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel niet door een onafhankelijke partij is getoetst en dat het aanbod niet voldoet aan de normen van de NVVK, die uitgaan van een looptijd van 36 maanden. Daarnaast is de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) onjuist, onder meer doordat het loon niet correct is omgerekend en het inkomen van de partner niet is meegenomen. Ook ontbreekt inzicht in hypotheeklasten en woningwaarde.

De rechtbank concludeert dat het aanbod niet het maximaal haalbare is en dat de schuldsaneringsregeling mogelijk een hogere uitkering kan bieden. Gezien de belangenafweging wegen de belangen van de schuldeisers zwaarder dan die van verzoekster. Daarom wordt het verzoek om een gedwongen schuldregeling afgeworpen.

De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling beslissen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om schuldeisers te dwingen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende maximaal haalbaar aanbod.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 20 april 2017
in de zaak van:
[naam 1],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 9 januari 2017, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om beide schuldeisers, te weten:
  • Stichting Villa Betty, vertegenwoordigd door Zuyd Gerechtsdeurwaarders (hierna: Villa Betty);
  • ABN Amro Bank, vertegenwoordigd door Lindorff B.V. (hierna: Abn Amro);
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Villa Betty heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 20 april 2017 zijn verschenen en gehoord:
  • [naam 1] , verzoekster;
  • mr. M.J. Biesheuvel, advocaat van verzoekster;
  • [naam 2] , namens Villa Betty.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift twee schuldeisers. Zij hebben gezamenlijk een bedrag van 206.240,81 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 3 augustus 2016 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 8,14% tegen finale kwijting. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt 34 uur per week. Zij krijgt loon per vier weken en daarnaast ontvangt zij een geringe reiskostenvergoeding, kinderalimentatie en kinderbijslag. Gedurende 24 maanden zal een bedrag van € 700,-- per maand worden verdeeld over haar schuldeisers. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden.
Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat zij inmiddels 36 uur per week werkt waardoor er iets meer aan haar schuldeisers uitgekeerd zal worden.
Beide schuldeisers weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft Villa Betty te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan met de totale schuldvordering.
Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. In de visie van Villa Betty heeft verzoekster voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op voortzetting van het huidige dienstverband van verzoekster terwijl de inkomenspositie van verzoekster de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Daarnaast is in de aangeboden regeling geen rekening gehouden met het inkomen van de partner van verzoekster en is het onduidelijk waarom er slechts een aanbod wordt gedaan voor een periode van 24 maanden.
Ter zitting heeft de heer [naam 2] zich namens Villa Betty op het standpunt gesteld dat het aanbod financieel onvoldoende inzichtelijk is. Het is onduidelijk of het aanbod het maximaal haalbare is.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de schuldeisers bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Villa Betty en ABN in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat beide schuldeisers van verzoekster niet instemmen met de aangeboden regeling. De weigeraars vertegenwoordigen 100% van de totale schuldenlast.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke partij. Het voorstel is door de advocaat van verzoekster opgesteld en aangeboden. Er dient van uit te worden gegaan dat een advocaat in de eerste plaats opkomt voor de belangen van zijn cliënt. De rechtbank onderkent dat een advocaat bevoegd is tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f van Pro de Faillissementswet. Dit maakt echter niet dat de inhoudelijke betrokkenheid van de door verzoekster ingeschakelde advocaat bij de totstandkoming van het voorstel kan worden aangemerkt als een toetsing van dat voorstel door een onafhankelijke partij. In dit kader is van belang dat het aanbod niet is gebaseerd op de NVVK normen – waarin wordt uitgegaan van 36 maanden - en slechts aangeboden voor een periode van 24 maanden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het aanbod niet het maximaal haalbare is dat verzoekster haar schuldeisers kan bieden. Bovendien zijn er kanttekeningen te plaatsen bij de wijze waarop de advocaat het vrij te laten bedrag berekend heeft. Verzoekster heeft aan de door haar aangeboden schuldregeling een berekening vrij te laten bedrag d.d. 21 december 2016 (hierna vtlb-berekening) ten grondslag gelegd waaruit blijkt dat het 4-weken loon van verzoekster niet is omgerekend naar een maandbedrag. Voorts zijn de inkomsten van de partner van verzoekster niet in de berekening meegenomen, omdat de partner zelf ook schulden zou hebben. Voorts is in de berekening geen inzicht verschaft in de hypotheeklasten, de eigendom en waarde van de woning.
De rechtbank stelt vast dat de uitgangspunten uit het VTLB-rapport, welke tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling zullen worden gevolgd, onvoldoende in acht zijn genomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de afloscapaciteit van verzoekster, indien de berekening in lijn met het VTLB-rapport zou zijn geweest, hoger zou zijn. Dit betekent dat (beslist) niet uitgesloten is dat de wettelijke schuldsaneringsregeling uitzicht biedt op een hogere uitkering, zeker als in aanmerking wordt genomen dat de schuldsaneringsregeling 36 maanden duurt. Gelet hierop is de rechtbank er onvoldoende van overtuigd dat het aanbod van verzoekster het maximaal haalbare is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoekster.
Het verzoek om Villa Betty en ABN te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van
A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.