Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij een betaling van 8,14% over 24 maanden voorstelde. De regeling is gebaseerd op haar inkomen uit een dienstverband van 34 uur per week, later 36 uur. Beide schuldeisers, die samen 100% van de schuld vertegenwoordigen, weigeren in te stemmen met het aanbod.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel niet door een onafhankelijke partij is getoetst en dat het aanbod niet voldoet aan de normen van de NVVK, die uitgaan van een looptijd van 36 maanden. Daarnaast is de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) onjuist, onder meer doordat het loon niet correct is omgerekend en het inkomen van de partner niet is meegenomen. Ook ontbreekt inzicht in hypotheeklasten en woningwaarde.
De rechtbank concludeert dat het aanbod niet het maximaal haalbare is en dat de schuldsaneringsregeling mogelijk een hogere uitkering kan bieden. Gezien de belangenafweging wegen de belangen van de schuldeisers zwaarder dan die van verzoekster. Daarom wordt het verzoek om een gedwongen schuldregeling afgeworpen.
De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling beslissen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.