ECLI:NL:RBROT:2017:3814
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en persoonlijke ontwikkeling
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en is meerdere keren gehoord. De rechtbank heeft het verzoek aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven zich onder beschermingsbewind te laten stellen, maar verzoekster heeft dit geweigerd en een beroep gedaan op de hardheidsclausule.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest met betrekking tot haar schulden, met name een schuld aan de Belastingdienst van €36.580,00 wegens onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Bovendien is niet gebleken dat verzoekster een persoonlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt die haar financiële situatie onder controle brengt, zoals vereist in artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro.
De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af omdat verzoekster niet voldoet aan de criteria van goede trouw en nakoming van verplichtingen. Het eerdere verzoek is ook afgewezen en bekrachtigd door het hof. Het beroep op de hardheidsclausule faalt omdat verzoekster zich niet onder beschermingsbewind wil laten stellen en onvoldoende inzicht geeft in haar schuldenlast en financiële situatie.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende persoonlijke ontwikkeling.