ECLI:NL:RBROT:2017:4309

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
C/10/522119 / FT EA 17/485
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:23a lid 4 BWArt. 3 lid 1 Verordening 1346/2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak faillissement besloten vennootschap in liquidatie

De rechtbank Rotterdam heeft op 16 maart 2017 het faillissement uitgesproken van een besloten vennootschap in liquidatie. De procedure werd gevoerd naar aanleiding van een aangifte tot faillietverklaring door de vereffenaar, mr. P. de Graaf, die zich op artikel 2:23a lid 4 BW baseerde. Deze bepaling verplicht de vereffenaar het faillissement aan te vragen indien verwacht wordt dat de schulden de baten zullen overtreffen.

De rechtbank nam kennis van de financiële situatie van de vennootschap, waarbij de schulden circa € 818.430,- bedragen, met een kortlopende schuld van € 1.779,- volgens de jaarrekening 2014. Hoewel er een potentiële bate bestaat wegens een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ter hoogte van € 583.650,-, achtte de rechtbank summierlijk bewezen dat de vennootschap haar schulden niet meer kan voldoen.

Verder oordeelde de rechtbank dat zij bevoegd is deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen op grond van artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 1346/2000, aangezien het centrum van voornaamste belangen in Nederland is gelegen. Tot slot benoemde de rechtbank mr. A.J. van Spengen tot rechter-commissaris en mr. P. de Graaf tot curator, en gaf de curator de bevoegdheid tot het openen van post gericht aan de gefailleerde.

Uitkomst: De rechtbank verklaarde de besloten vennootschap in liquidatie failliet en benoemde een curator en rechter-commissaris.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Insolventienummer: [nummer 1]
Uitspraak: 16 maart 2017
VONNIS op de aangifte tot faillietverklaring (rekestnummer: [nummer 2] ) van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam] in liquidatie,
kantoorhoudende aan de [adres 1] ,
[plaats 1] ,
nevenvestiging:
[adres 2]
[plaats 2] ,
statutair gevestigd te [plaats 3] ,
aangeefster.

1.De procedure

De aangeefster is, bij monde van mr. P. de Graaf, in raadkamer gehoord.

2.De beoordeling

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 april 2016 is de vereffening van aangeefster op verzoek van O.W.M. DSW Zorgverzekeraar U.A. en Zorgkantoor DSW B.V. (hierna gezamenlijk DSW) heropend, met de benoeming van mr. P. de Graaf tot vereffenaar.
Artikel 2:23a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vereffenaar gehouden is het faillissement van de in liquidatie zijnde vennootschap aan te vragen indien hij verwacht dat de schulden de baten zullen overtreffen.
De vereffenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op basis van deze wetsbepaling in de onderhavige situatie gehouden is het faillissement aan te vragen. Enerzijds zijn er schulden, ter hoogte van € 818.430,-. Daarnaast is er in ieder geval, op grond van de jaarrekening 2014, een kortlopende schuld van € 1.779. Anderzijds is er sprake van een potentiële bate, nu op grond van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2016 te verwachten valt dat er sprake is van een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid jegens de (oud-) bestuurder, die in genoemd vonnis is veroordeeld tot de terugbetaling van een bedrag van € 583.650.
De rechtbank oordeelt daarom dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van DSW en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat aangeefster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank,
- verklaart [naam] in liquidatie voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.J. van Spengen, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. P. de Graaf, advocaat te Rotterdam;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van
mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 maart 2017 te 10:00 uur.