ECLI:NL:RBROT:2017:4310

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
C/10/518479 / FT EA 17/59
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende afspraken bij uittreding uit V.O.F.

Verzoeker diende op 10 januari 2017 een verzoekschrift in voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. Hij ontving een participatiewet-uitkering en had een schuldenlast van €46.912,59. De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet te goeder trouw was in de vijf jaar voorafgaand aan zijn verzoek, wat een vereiste is voor toelating.

De schulden aan ABN AMRO en International Card Services ontstonden deels door het rookgedrag van verzoeker, wat de rechtbank verwijtbaar achtte omdat hij eerder had moeten stoppen met roken gezien zijn financiële situatie. Daarnaast ontstonden andere schulden uit een vennootschap onder firma (V.O.F.) waarin verzoeker samen met een mede-vennoot actief was. Bij zijn uittreding uit de V.O.F. in mei 2016 werden geen schriftelijke afspraken gemaakt en vond geen afrekening plaats, waardoor verzoeker aansprakelijk bleef voor ondernemingsschulden.

De rechtbank vond dat verzoeker onvoldoende had gedaan om zijn schuldenlast te beperken en dat hij naliet afspraken te maken over de verdeling van activa en schulden bij uittreding. Dit gebrek aan goede trouw en inspanningen om schulden te voldoen stond toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg. Feiten die toelating ondanks het ontbreken van goede trouw zouden rechtvaardigen, waren niet aannemelijk gemaakt.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende afspraken bij uittreding uit de V.O.F.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 17 maart 2017
[naam],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 10 januari 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 10 maart 2017. De uitspraak is bepaald op heden.
Na de behandeling is bij de rechtbank nog een brief binnengekomen van verzoeker (gedateerd 10 maart 2017). Nu de behandeling reeds was gesloten, is deze brief buiten beschouwing gelaten.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit een participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 46.912,59.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker kon naar eigen zeggen vanaf 2011 niet meer rondkomen. Hij lukte hem niet te leven van de bijstandsuitkering die hij toen genoot. Daarom zijn de schulden aan ABN AMRO van € 2.997,57 en International Card Services van € 1.744,86 ontstaan. Verzoeker heeft tijdens zitting tevens verklaard dat dit deels te wijten was aan het feit dat hij toen nog rookte.
Naar het oordeel van de rechtbank had verzoeker eerder kunnen en moeten stoppen met roken nu hij daarvoor kennelijk geen geld had. De schulden aan ABN AMRO en ICS zijn gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ontstaan dan wel onbetaald gebleven en staan, voor zover dit zich heeft voorgedaan in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoekschrift, aan toelating in de weg.
De overige schulden komen voort uit de onderneming die verzoeker samen met een mede-vennoot in de vorm van een vennootschap onder firma heeft gevoerd. Verzoeker heeft in maart 2015 een lening voor een bedrag ad € 16.750,- gekregen van de Gemeente Rotterdam en deze ingebracht in de V.O.F. In mei 2016 is verzoeker uit de V.O.F. getreden, naar eigen zeggen wegens een conflict. Verzoeker heeft bij het starten van de V.O.F. geen (schriftelijke) afspraken gemaakt. Er heeft daarnaast bij het uittreden van verzoeker geen afrekening plaatsgevonden; evenmin is getracht te bewerkstelligen dat verzoeker zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de ondernemingsschulden aan The Lease Factory B.V. van € 16.221,42, BK Market Trailers B.V. van € 1.310,88 en Volkswagen Leasing B.V. van € 7.563,06. Uit de door verzoeker overgelegde jaarrekening van de V.O.F. over 2015 blijkt dat de waarde van de activa van de V.OF. op 31 december 2015 € 51.368,- bedroeg. Volgens verzoeker wilde zijn ex-vennoot hem uitkopen, maar heeft zij dat niet voor elkaar gekregen. Zijn ex-vennoot is verder gegaan met het bedrijf. Ter terechtzitting heeft verzoeker hierover verklaard dat het hem logisch voorkwam dat de activa zijn ex-vennoot toekwamen aangezien zij de onderneming zou voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank valt het verzoeker te verwijten dat hij ten tijde van zijn uittreding geen afspraken heeft gemaakt omtrent de verdeling van de activa (en de schulden). Dit leidt tot het oordeel dat zijn schulden tot het bedrag waarop hij uit hoofde van de afrekening aanspraak had kunnen maken, niet te goeder trouw onbetaald gebleven, althans dat hij er niet alles aan heeft gedaan om zijn schuldenlast te beperken.
Het voorgaande staat aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk gemaakt.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van J.M.W. Pool, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017. [1]