ECLI:NL:RBROT:2017:4315

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
C/10/517646/FT RK 16/764
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 218 lid 2 FwArt. 218 lid 3 FwArt. 218 lid 4 FwArt. 233 Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot definitieve verlening van surseance van betaling aan schuldenares

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot definitieve verlening van surseance van betaling aan een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Aanvankelijk was op 29 december 2016 voorlopige surseance verleend. Tijdens de crediteurenvergadering van 27 maart 2017 stemden schuldeisers verdeeld over het verzoek. Een schuldeiser, HP, beschikte over een vordering die meer dan een kwart van de vertegenwoordigde schuldvorderingen betrof en stemde tegen.

De rechtbank stelde vast dat niet was voldaan aan het vereiste van artikel 218 lid 2 Faillissementswet Pro, dat vereist dat een meerderheid van de schuldeisers instemt. De rechtbank beperkte zich tot de aannemelijkheid van de vordering van HP en liet de betwisting van schuldenares buiten beschouwing, omdat het beoordelingskader van artikel 218 Fw Pro geen ruimte biedt voor inhoudelijke beoordeling van verweren.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot definitieve surseance af. Tevens stelde zij het salaris van de bewindvoerder en de verschotten vast, die ten laste van schuldenares komen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend door een advocaat in te stellen.

Uitkomst: Het verzoek tot definitieve verlening van surseance van betaling wordt afgewezen wegens niet voldoen aan artikel 218 lid 2 Faillissementswet.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing verzoek definitief verlenen surseance van betaling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 7 april 2017
Beschikking in de voorlopige surseance van betaling van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam 1],
[adres],
[plaats],
schuldenares,
bewindvoerder: mr. M.M.E. Bowmer.

1.De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de beschikking van 29 december 2016, waarbij aan schuldenares voorlopig surseance van betaling is verleend.
Ter schuldeisersvergadering van 27 maart 2017 zijn verschenen:
  • [naam 2], werkzaam als manager bij [naam 3];
  • Mr. R. de Jong, advocaat van [naam 3];
  • mr. M.M.E. Bowmer, bewindvoerder,
  • mrs. R. Laddé en M. Egeler, advocaten namens Hewlett-Packard Development Company, L.P., schuldeiser (hierna: HP).
De bewindvoerder heeft verklaard dat alle schuldeisers in kennis zijn gesteld van de schuldeisersvergadering.
Mr. De Jong, voornoemd, heeft namens de schuldeisers, door wie hij is gevolmachtigd, gestemd voor het definitief verlenen van surseance van betaling aan schuldenares.
Mrs. Laddé en Egeler, voornoemd, hebben ter zitting van 27 maart 2017 aanvankelijk verklaard dat HP overweegt om niet in te stemmen met het definitief verlenen van surseance van betaling aan schuldenares. De rechtbank heeft de stemming aangehouden tot 31 maart 2017 te 14:00 uur om mrs. Laddé en Egeler in de gelegenheid te stellen met HP nader overleg te voeren en om vervolgens de definitieve stem van HP kenbaar te maken. Bij fax van 31 maart 2017 heeft mr. Laddé bericht dat HP niet wenst in te stemmen met het definitief verlenen van surseance van betaling aan schuldenares.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het advies van de bewindvoerder van 21 maart 2017 en het advies van de rechter-commissaris van 22 maart 2017.
De rechtbank heeft voorts op 4 april 2017 een fax van mr. De Jong ontvangen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2.
De beoordeling
De rechtbank stelt vast dat niet aan het vereiste van artikel 218, lid 2 van de Faillissementswet (hierna: Fw) is voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
HP beschikt met een vordering van € 126.680,- over meer dan één vierde van het bedrag van de ter vergadering vertegenwoordigde, in artikel 233 bedoelde Pro, schuldvorderingen.
Ingevolge artikel 218 lid 3 Fw Pro beslist de rechtbank, bij verschil, over de toelating tot de stemming. De rechtbank laat zich niet uit over de gegrondheid en daarmee het daadwerkelijk bestaan van de vordering, zij oordeelt slechts over de aannemelijkheid van de bewering van de betreffende schuldeiser dat hij een vordering heeft en de hoogte daarvan. De rechtbank heeft de vordering van HP met die achtergrond voldoende aannemelijk geacht. De rechtbank gaat voorts niet speculeren over de uitkomst van een herstelverzoek aan de rechtbank Den Haag. De rechtbank passeert dan ook de betwisting van schuldenares van de hoogte van de vordering van HP.
Het nadere verweer van schuldenares in haar (overigens te laat ingediende) brief van 4 april 2017 laat de rechtbank buiten beschouwing, aangezien het beoordelingskader binnen artikel 218 Fw Pro geen ruimte biedt dit verweer te betrekken in het oordeel.
Nu aan het vereiste van artikel 218, lid 2 Fw niet is voldaan behoeven de afwijzingsgronden in artikel 218, vierde lid, Fw geen verdere bespreking.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om aan schuldenares definitief surseance van betaling verlenen afwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek van schuldenares tot definitieve verlening van de surseance van betaling;
  • stelt het salaris van de bewindvoerder vast op € 8.936,50 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenares;
  • stelt de verschotten vast op € 357,46 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenares.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.M. de Winkel, rechter, en in aanwezigheid van
N. van Gaans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.