ECLI:NL:RBROT:2017:4523

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 april 2017
Publicatiedatum
13 juni 2017
Zaaknummer
10/652012-16
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 45 SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling met wurgklem en trappen in gezicht

Op 13 december 2015 vond een vechtpartij plaats in een horecagelegenheid te Rotterdam waarbij het slachtoffer een gebroken neus opliep. Verdachte erkende het slachtoffer te hebben vastgegrepen uit verdediging, maar getuigenverklaringen wezen uit dat verdachte zich uit eigen beweging met de ruzie bemoeide en mogelijk begon met de vechtpartij.

De rechtbank oordeelde dat een gebroken neus in dit geval geen zwaar lichamelijk letsel opleverde zoals bedoeld in artikel 82 Sr Pro, mede vanwege een genezingsduur van maximaal zes weken. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het primair tenlastegelegde. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte met geschoeide voet tegen het gezicht van het slachtoffer trapte terwijl deze op de grond lag, wat een strafbare poging tot zware mishandeling vormt.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar op, gecombineerd met een taakstraf van zestig uur, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden en een positief reclasseringsrapport. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €750,- aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.

De rechtbank wees de vordering tot materiële schadevergoeding af wegens onevenredige belasting van het strafgeding en verwees dit deel naar de burgerlijke rechter. Verdachte werd ook veroordeeld tot reclasseringstoezicht en ambulante behandeling voor persoonlijkheidsproblematiek. De opgelegde straffen en maatregelen zijn bedoeld om herhaling te voorkomen en de veiligheid in het uitgaansleven te bevorderen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/652012-16
Datum uitspraak: 13 april 2017
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
raadsman mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2017.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. van Diemen heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uur met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
Vast staat dat op 13 december 2015 een vechtpartij heeft plaatsgevonden waar de verdachte bij betrokken was, bij [naam horecagelegenheid] te Rotterdam. [naam slachtoffer] , het slachtoffer, heeft hieraan onder andere een gebroken neus overgehouden.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, hoewel het een grensgeval is, een gebroken neus kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel gelet op jurisprudentie.
Verdachte erkent het slachtoffer ‘ontzet’ te hebben door hem in een greep te nemen. Hij verklaart dat echter te hebben gedaan in reactie op klappen die een vriend kreeg, uit verdediging.
De rechtbank merkt dienaangaande op dat uit de verschillende getuigenverklaringen in het dossier valt af te leiden dat van een gerechtvaardigde verdediging door de verdachte geen sprake is geweest, maar dat hij zich uit eigen beweging met een ruzie is gaan bemoeien of zelfs begonnen is met de vechtpartij.
Wat betreft de vraag of in het onderhavige geval sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht, oordeelt de rechtbank als volgt.
Een gebroken neus kan in dit geval niet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt, mede omdat blijkens de FARR-verklaring de genezingsduur maximaal 6 weken bedraagt. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van het primair tenlastegelegde. Wel is de rechtbank van oordeel dat het met geschoeide voet trappen of schoppen tegen iemands gezicht een aanmerkelijke kans oplevert op, en daarmee een strafbare poging vormt tot, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het subsidiair tenlastegelegde zal dan ook bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 13 december 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer] heeft geslagen en/of
- met zijn, verdachtes, arm, een wurgklem om de keel/nek van voornoemde [naam slachtoffer] heeft aangelegd en/of
- ( met geschoeide voet) in/op/tegen de neus, althans het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
Poging tot zware mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft het slachtoffer tegen het lichaam geslagen, heeft bij hem een wurgklem aangelegd en heeft hem tegen zijn neus getrapt. Hierdoor heeft het slachtoffer een gebroken neus opgelopen. Het behoeft geen betoog dat de gevolgen hiervan voor het slachtoffer ingrijpend zijn geweest. Uit het dossier blijkt dat de geschatte genezingsduur van het neusletsel ongeveer zes weken genezen bedroeg.
Daarnaast leveren dergelijke geweldsincidenten, gepleegd bij een eetgelegenheid midden in de nacht, een bijdrage aan reeds bestaande gevoelens van onveiligheid, met name onder jongeren in het uitgaansleven.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 oktober 2016. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd de meldplicht en ambulante behandeling voor zijn persoonlijkheidsproblematiek bij [naam instelling] of soortgelijke ambulante forensische instelling.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal daar echter van afzien omdat het een feit betreft van ruim een jaar geleden. In plaats daarvan wordt een werkstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de voorwaarden verbinden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert
een vergoedingvan € 1.370,88 voor materiële schade en
een vergoedingvan € 2.250,- voor immateriële schade.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, gelet op rechterlijke uitspraken gepubliceerd in de ANWB-smartengeldgids, de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden toegewezen tot een gedeelte van € 750,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade. Voorts dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiele schade, aangezien de vaststelling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens dient de schade-vergoedingsmaatregel te worden opgelegd.
8.2.
Standpunt verdediging
De aangever heeft verschillende bedragen genoemd en is hier niet eenduidig in. De vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8.3.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade.
De behandeling van de vordering van de benadeelde partij strekkende tot vergoeding van materiële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het toe te kennen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 december 2015.
Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;
bepaalt dat de ze gevangenisstraf
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de
proeftijd, die hierbij wordt gesteld op
2 (twee) jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;
stelt als algemene voorwaarden:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
stelt als bijzondere voorwaarden:
de veroordeelde zal zich (blijven) melden bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van [naam instelling] of een soortgelijke instelling voor forensische zorg, voor zijn persoonlijkheidsproblematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met genoemde instelling verantwoord vindt;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
58 (achtenvijftig) urente verrichten taakstraf resteert;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
29 (negenentwintig) dagen;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van
€ 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf
13 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;
beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 750,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
15 (vijftien) dagen;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. van den Berg, voorzitter,
en mrs. L. Feraaune en M.E. van der Zouw, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Primair
hij op of omstreeks 13 december 2015 te Rotterdam aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, heeft toegebracht door - meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer] te slaan en/of - met zijn, verdachtes, arm, een wurgklem om de keel/nek van voornoemde [naam slachtoffer] aan te leggen en/of - (met geschoeide voet) in/op/tegen de neus, althans het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer] te trappen/schoppen, terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag;
art. 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
Subsidiair
hij op of omstreeks 13 december 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer] heeft geslagen en/of - met zijn, verdachtes, arm, een wurgklem om de keel/nek van voornoemde [naam slachtoffer] heeft aangelegd en/of - (met geschoeide voet) in/op/tegen de neus, althans het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art. 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art. 45 Wetboek Pro van Strafrecht