De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een verdachte rechtspersoon die werd verdacht van het zich ontdoen van gevaarlijke afvalstoffen, namelijk niet bruikbare stookolie, door afgifte aan een ander. De tenlastelegging betrof het verkopen van stookolie aan een bunkerbedrijf, waarbij werd gesteld dat deze olie afvalstof was.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de stookolie destijds voldeed aan de geldende ISO-norm en bruikbaar was als brandstof. Analyses van onafhankelijke partijen toonden aan dat de olie acceptabele kwaliteit had. De officier van justitie stelde dat de olie waarschijnlijk niet meer bruikbaar was, maar kon dit niet met een test onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van bewijs dat de stookolie niet bruikbaar was, leidde tot vrijspraak. Daarbij werd het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013 betrokken, waarin werd benadrukt dat een stof pas als afvalstof geldt indien de houder zich ervan ontdoet met het oogmerk deze niet meer te gebruiken. Omdat het bunkerbedrijf de olie zonder nadere bewerking wilde hergebruiken, was er geen sprake van afvalstof.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit niet bewezen en sprak de verdachte rechtspersoon vrij.