De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarigen die momenteel in Nederland verblijven, terwijl hun ouders in Frankrijk wonen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden, maar de rechtbank beperkte deze termijn tot één maand vanwege de voorlopige aard van de maatregel en het spoedeisende karakter.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de ouders een zwervend bestaan leiden in Frankrijk en dat er nog geen beschermende maatregelen in Frankrijk zijn getroffen. De Franse kinderrechter was telefonisch betrokken en gaf aan spoedig beschermende maatregelen te zullen treffen, zodat de repatriëring van de kinderen naar Frankrijk kan worden gerealiseerd. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van Brussel II-bis en het HKBV 1996.
De rechtbank verlengde de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 juli 2017, waarbij de duur van de ondertoezichtstelling beperkt bleef tot één maand. Dit was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, totdat de overdracht aan de Franse kinderbescherming kan plaatsvinden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.