De verdachte werd beschuldigd van actieve ambtelijke corruptie, valsheid in geschrift en oplichting in verband met het regelen van een baan en salarisbetalingen voor de echtgenote van een ambtenaar, het vervalsen van documenten en het misleiden van een stichting en gemeente.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding geldig was, maar dat het bewijs onvoldoende was om het vereiste oogmerk van omkoping aan te tonen. De verklaringen van de verdachte waren niet onaannemelijk en het vermoeden van omkoping werd daardoor onvoldoende onderbouwd.
Ook voor de valsheid in geschrift en oplichting was het bewijs niet overtuigend. De facturen en inschrijfbiljetten waren niet met opzet vervalst door de verdachte en er was geen bewijs dat de stichting of gemeente tot onrechtmatige betalingen was bewogen.
De rechtbank sprak de verdachte dan ook vrij van alle ten laste gelegde feiten. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 21 juni 2017.