Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
- toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan het verwerven en verspreiden van kinderporno. De tenlastelegging betrof het opzettelijk verschaffen van middelen aan een medeverdachte die kinderporno bezat en verspreidde.
Tijdens de terechtzitting op 15 juni 2017 werd het bewijs onderzocht. De officier van justitie stelde dat verdachte wist van het justitiële verleden van de medeverdachte en bewust de kans aanvaardde dat de door hem verstrekte smartphone en opwaardeervouchers gebruikt zouden worden voor het verkrijgen van kinderporno. Dit werd onderbouwd met een proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2013.
De rechtbank oordeelde echter dat dit proces-verbaal onvoldoende betrouwbaar was, mede omdat de verklaring van de betreffende getuige niet consistent was en deels werd weersproken in latere verklaringen. Daarnaast vond de rechtbank de verklaring van verdachte geloofwaardig dat hij slechts handelde als handelaar in goederen en geen betrokkenheid had bij kinderporno.
De rechtbank concludeerde dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken op 29 juni 2017.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet op medeplichtigheid aan kinderporno.