ECLI:NL:RBROT:2017:5202
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over inkomenstoerekening bij kasstorting in bijstandsuitkering
Eiseres vroeg een bijstandsuitkering aan bij het Drechtstedenbestuur, waarbij een eenmalige kasstorting van €425,- in juni 2016 op haar bankrekening centraal stond. Verweerder rekende deze storting als inkomen, waardoor eiseres volgens hem geen recht had op uitkering in die maand. Eiseres stelde dat het bedrag zakgeld uit 2015 was en als vermogen moest worden gezien, niet als inkomen.
De rechtbank volgde de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als inkomen worden beschouwd. De herkomst van contante kasstortingen is vaak onduidelijk en indien het bedrag kan worden gebruikt voor levensonderhoud, moet het als inkomen worden aangemerkt. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het bedrag geen inkomen was.
Uit verklaringen bleek dat eiseres in juni 2016 schilderwerk verrichtte en hiervoor contant betaald werd, waarvan een deel op de bankrekening werd gestort. Dit bevestigde dat de storting inkomen betrof. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiseres in juni 2016 geen recht had op bijstand vanwege het hogere inkomen.
De uitspraak is gedaan door rechter E. Lunenberg en griffier J.M. Miltenburg op 7 juli 2017. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat de kasstorting als inkomen wordt aangemerkt en zij daardoor geen recht had op bijstand in juni 2016.