ECLI:NL:RBROT:2017:5421

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 juli 2017
Publicatiedatum
13 juli 2017
Zaaknummer
ROT 16/7593
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens te late indiening per fax

Eiser diende bezwaar in tegen een besluit van het Agentschap Telecom over een vergoeding voor werkzaamheden. Het primaire besluit dateert van 3 april 2015. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ontvangen, de termijn eindigde op 18 mei 2015.

Eiser stelde dat hij het bezwaar tijdig op 11 mei 2015 per gewone post en fax had verzonden, met een faxbevestigingsrapport als bewijs. De rechtbank oordeelde dat een faxbevestigingsrapport met de status 'ok' onvoldoende bewijs is dat het bezwaar daadwerkelijk is ontvangen. Uit onderzoek bleek geen registratie van de fax in het postregistratiesysteem van verweerder.

De rechtbank vond het niet aannemelijk dat het bezwaar tijdig was ingediend, mede omdat eiser geen originele faxbevestiging kon tonen en vijf maanden geen actie had ondernomen na het uitblijven van ontvangstbevestiging. Het bezwaar dat op 7 oktober 2015 werd ontvangen, was te laat. Er waren geen omstandigheden die het verzuim konden rechtvaardigen, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en onvoldoende bewijs is geleverd van tijdige indiening per fax.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 16/7593

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] , eiser,
en

de Minister van Economische Zaken, het Agentschap Telecom, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Sijbrandij.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een vergoeding vastgesteld van € 2081,40 voor werkzaamheden met betrekking tot randapparatuur.
Bij besluit van 19 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van 7 oktober 2015 niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ontvangen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 18 mei 2015.
2. Eiser stelt dat hij het bezwaarschrift op 11 mei 2015 zowel per gewone post als per fax aan verweerder heeft toegestuurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het bezwaar tijdig per fax is ingediend. Hij heeft als bewijs in beroep een kopie van een faxbevestigingsrapport overgelegd.
3. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1242) is het indienen van een bezwaarschrift door middel van een faxbericht op zichzelf aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending. De aan deze wijze van verzending verbonden risico’s dienen voor rekening van de verzender te komen. Dit brengt mee dat, als door de geadresseerde wordt gesteld dat het verzonden stuk niet is verzonden, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Indien de verzender de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde het vermoeden dat het faxbericht de geadresseerde heeft bereikt te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het faxbericht niet is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
5. Eiser stelt tijdig, namelijk op 11 mei 2015, bezwaar te hebben ingediend bij verweerder en onderbouwt dit in beroep door het overleggen van een kopie van een faxbevestigingsrapport waarop de datum van verzending, een kopie van het verzonden stuk en de melding ‘ok’ staan vermeld.
6. Het overleggen van een faxbevestigingsrapport met de melding ‘ok’ is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift bij verweerder is ingediend. Wat betreft de verzending van een stuk per fax merkt de rechtbank op dat de status ‘ok’ op een faxbevestigingsrapport een indicatie, maar nog geen sluitend bewijs vormt dat het betreffende geschrift door de geadresseerde in goede orde is ontvangen.
7. Verweerder stelt dat binnenkomende faxberichten in het postregistratiesysteem van de afdeling Registratuur en Archief van het Agentschap worden geregistreerd. Bij onderzoek in dit systeem is gebleken dat zich daarin geen registratie bevindt van de door eiser beweerdelijk verzonden fax van 11 mei 2015. Uitdraaien van binnengekomen faxen worden door de afdeling Registratuur enige tijd bewaard, maar de uitdraai waarop de op
11 mei 2015 binnengekomen faxen worden vermeld, is inmiddels vernietigd. Verweerder heeft eiser bij aangetekende brief van 2 december 2015 verzocht om een zienswijze te geven op de bevinding dat zijn bezwaarschrift pas op 7 oktober 2015 is ontvangen. Eiser heeft pas in beroep en ruim een jaar na verzending van de brief van 2 december 2015 een faxbevestigingsrapport overgelegd.
8. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser reeds op 11 mei 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. De door hem eerst in beroep overgelegde kopie van een faxbevestigingsrapport acht de rechtbank daarvoor onvoldoende bewijs. Ten eerste valt niet in te zien waarom eiser dit stuk niet eerder, in bezwaar, heeft ingebracht en waarom hij daarnaast niet ter zitting het originele faxbevestigingsrapport heeft kunnen tonen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om eiser hiervoor nog een nader termijn te geven. Daarnaast geldt, dat - ook als wordt uitgegaan van verzending van het faxbericht door eiser op 11 mei 2015 - verweerder met de beschrijving van het gehanteerde registratiesysteem in dit geval voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het faxbericht niet heeft ontvangen. De rechtbank constateert dat eiser, na 11 mei 2015 - toen hij geen ontvangstbevestiging dan wel andere correspondentie ontving van verweerder over deze kwestie - 5 maanden lang geen enkele actie heeft ondernomen richting verweerder om te vragen wat de status was van de behandeling van zijn bezwaarschrift. Gelet daarop kan het naar het oordeel van de rechtbank verweerder nu niet worden tegengeworpen dat de uitdraaien van binnengekomen faxen, die enige tijd worden bewaard maar daarna worden vernietigd, van de datum 11 mei 2015 niet meer te reproduceren zijn.
9. Verweerder heeft dan ook de brief van 7 oktober 2015 terecht aangemerkt als het door eiser ingediende bezwaarschrift. Vast staat dat dit bezwaarschrift na het verstrijken van de bezwaartermijn aan verweerder is verzonden. Het is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiser ten aanzien van de termijnoverschrijding niet in verzuim is geweest.
10. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.