Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
[eiser sub 3],
1.De procedure
- de dagvaarding van 10 mei 2016, met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in voorwaardelijke en onvoorwaardelijke reconventie van 3 augustus 2016, met producties;
- de brief van 24 augustus 2016 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;
- de brief van 20 oktober 2016 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de comparitie van partijen;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 21 november 2016, met producties;
- het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2016;
- de (pleit)aantekeningen van mr. Bots;
- de pleitnota van mr. Bierenbroodspot.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie
€ 1.000,00
gezamenlijkeuitoefening van de praktijken - de maatschap - te laten hebben. Dat het belang bij het grip hebben op de toekomst van de maatschap en de praktijkuitoefening wel aanwezig is indien een of twee van de vier maten de praktijk niet voortzetten, maar niet indien drie van de vier maten dat niet zouden doen, valt echter niet in te zien. Bij het aangaan van de maatschap had ieder van de maten er belang bij dergelijke grip op de toekomst van de maatschap en de praktijkuitoefening te hebben in geval van uittreding van een of meer maten. Het is dan ook begrijpelijk dat partijen bij het aangaan van de maatschap de aanbiedingsplicht en het boetebeding zijn overeengekomen. Dat gelijktijdig drie van de vier maten uittreden, doet er niet aan af dat de vierde er belang bij kan hebben dat de aanbiedingsplicht wordt nageleefd. Een uitzondering voor die situatie is niet in de maatschapsovereenkomst opgenomen. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank ook niet in de rede hebben gelegen.
5.De beslissing
[1729;
2221]