Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis/de brief van 8 februari 2017;
- het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2017 met de daarin genoemde stukken;
- de brief van de advocaat van de man van 7 juli 2017, ingekomen ter griffie op 7 juli 2017;
- de brief van de advocaat van de vrouw van 10 juli 2017, ingekomen ter griffie op 11 juli 2017;
- de brief van de advocaat van de vrouw van 11 juli 2017, ingekomen ter griffie op 11 juli 2017.
2.De feiten
de woning aan [adres en woonplaats] en de hypotheekschuld
wat betreft het registergoed is de waarde door partijen vastgesteld op een honderd zestig duizend euro (€ 160.000,00). Zijnde de waarde die blijkt uit een aan deze akte gehecht taxatierapport;
(…)”
3.Het geschil
4.De beoordeling
- ING betaalrekening [rekeningnummer] ten name van [moeder gedaagde] € 25.000
- ING profijtrekening [rekeningnummer] ten name van [moeder gedaagde] € 150.000
- ABN effectenrekening [rekeningnummer] ten name van [moeder gedaagde]
“Ook heeft de man niet aangetoond dat de woning in Suriname niet zou kunnen verhuurd waarmee hij evenzeer inkomsten kan genereren.”onderbouwt niet haar stelling dat voor de bouw van die woning gelden aan de gemeenschap zijn onttrokken. De vrouw heeft haar stellingen aldus niet of nauwelijks onderbouwd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en de door haar gestelde feiten niet zijn vast komen te staan.
5.De beslissing
2053