ECLI:NL:RBROT:2017:6474

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 augustus 2017
Publicatiedatum
22 augustus 2017
Zaaknummer
ROT 17/1802
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 9:1 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens klachtbehandeling en geen aanvraag

Eiser verzocht op 16 november 2016 om inzage van audiovisuele opnames, maar dit verzoek werd door verweerder aangemerkt als een klacht. Eiser stelde verweerder in gebreke en diende beroep in wegens fictieve weigering. Verweerder reageerde dat de beelden niet meer beschikbaar waren en dat het verzoek als klacht werd behandeld.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek van eiser geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was, maar een verzoek tot feitelijke inzage. Omdat het verzoek als klacht werd behandeld, is beroep tegen de afhandeling daarvan niet mogelijk volgens artikel 9:3 Awb Pro. Hierdoor kon eiser ook geen beroep doen op de dwangsomregeling.

De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen dit besluit kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep wegens het ontbreken van een aanvraag en de klachtbehandeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
Zaaknummer: ROT 17/1802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2017 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [plaats], eiser,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: mr. T.J.A. Franssen.

Procesverloop

Bij brief van 14 maart 2017 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 16 november 2016.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1. Bij brief van 16 november 2016 heeft eiser verweerder verzocht audiovisuele opnames van een gesprek van 15 november 2016 ter beschikking te stellen. Bij brief van 13 januari 2017 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
2. In het beroepschrift heeft eiser de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, hem de maximale dwangsom van € 1.260,00 toe te kennen en verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen, namelijk afgifte dan wel inzage van de camerabeelden in het kader van een verzoek op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 37.000,00.
3. Verweerder heeft de brief van 16 november 2016 als een klacht in behandeling genomen en daarop bij brief van 20 maart 2017 gereageerd. Verweerder heeft eiser bij deze brief meegedeeld niet meer over de camerabeelden te beschikken.
4. Bij brief van 3 april 2017 heeft eiser medegedeeld dat, de beelden niet langer beschikbaar zijn, een nieuw besluit niet nodig is, en zijn beroep dus uitsluitend de dwangsom en de proceskosten betreft.
5.1
Artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven.
Op grond van artikel 6:12 van Pro de Awb kan een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen (…) en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
5.2
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 16 november 2016 geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Anders dan in het beroepschrift is daarin de Wbp niet genoemd. Het gaat dus om een verzoek tot feitelijke inzage van camerabeelden.
6.1.
Verweerder heeft de brief van 16 november 2016 aangemerkt als een klacht en daarop bij brief van 20 maart 2017 een reactie gegeven.
6.2.
Op grond van artikel 9:1, eerste lid, van de Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan.
In artikel 9:3 van Pro de Awb is bepaald dat tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan geen beroep kan worden ingesteld.
In artikel 9:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis stelt van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel daarover alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Op grond van het tweede lid wordt bij de kennisgeving vermeld bij welke ombudsman en binnen welke termijn de klager vervolgens een verzoekschrift kan indienen.
6.3
De rechtbank overweegt dat de wetgever met het opnemen van hoofdstuk 9 in de Awb betreffende klachtbehandeling en met de uitbreiding daarvan tot het zogenoemde externe klachtrecht de wijze van klachtbehandeling en de uitkomst daarvan als zodanig op een bijzondere wijze heeft geregeld. Als gevolg van de bijzondere regeling van hoofdstuk 9 van de Awb en in het bijzonder van de artikelen 9:3 en 9:12, tweede lid, staan ten aanzien van beslissingen betreffende een klacht(behandeling) niet de gebruikelijke rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger) beroep open.
6.4.
Indien de brief van 16 november 2017 als klacht in de zin van de artikelen 9:1 en 9:3 van de Awb moet worden aangemerkt kan op grond van artikel 9:3 van Pro de Awb tegen de brief van verweerder van 20 maart 2017 inzake de behandeling van de klacht geen beroep worden ingesteld.
7. Het voorgaande brengt met zich dat, nu eiser geen beroep bij de rechtbank kan instellen, hij evenmin een beroep kan doen op de in afdeling 4.1.3 van de Awb neergelegde dwangsomregeling.
8. Dit betekent dat de rechtbank kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van het door eiser ingediende beroep.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.