Eisers, waaronder de Stichting Nederlandse Fotovakhandel en exploitanten van pasfotodetailhandels, verzochten ACM handhavend op te treden tegen de gemeente Amsterdam wegens vermeende overtreding van artikel 25i van de Mededingingswet (Mw) bij de kostentoerekening van pasfotoautomaten in zeven stadsdeelkantoren.
ACM onderzocht de kosten en opbrengsten van de gemeente en concludeerde dat de integrale kosten van de dienstverlening worden doorberekend aan de exploitanten Prontophot en Pasfotopoint. Eisers betwistten het aggregatieniveau en de hoogte van de kosten voor gebouw, handling en schoonmaak, stellende dat deze hoger liggen dan door de gemeente berekend.
De rechtbank volgde ACM in de afbakening van de relevante markt op gemeentelijk niveau en achtte het aggregatieniveau passend. De rechtbank oordeelde dat het gebruikersgebonden deel van de huisvestingskosten niet aan de pasfotoautomaten toerekenbaar is en dat wachtruimtes en assistentie door personeel onvoldoende aanleiding geven tot hogere kosten. Ook de door eisers voorgestelde hogere kosten voor handling en schoonmaak werden niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de gemeente de integrale kosten adequaat doorberekent en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.