Verzoeker heeft wraking van rechter S. Jordaan verzocht tijdens een strafzitting in verband met vermeende vooringenomenheid en schending van het recht op hoor en wederhoor.
De wrakingskamer heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en onderzocht of er sprake was van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Verzoeker stelde dat de rechter onvoldoende tijd nam om zijn pleitnota te bestuderen en dat de rechter een eed heeft gezworen aan de koning, die op zijn beurt aan de paus heeft gezworen, wat volgens verzoeker de onpartijdigheid zou ondermijnen.
De kamer oordeelde dat verzoeker voldoende gelegenheid had gekregen om zijn pleitnota toe te lichten en dat de rechter deze tijdens een schorsing heeft bestudeerd. De vermeende religieuze banden van de rechter betroffen geen persoonlijke vooringenomenheid jegens verzoeker en hadden geen betrekking op de behandeling van de zaak.
Daarom was er geen grond voor wraking en werd het verzoek afgewezen.