ECLI:NL:RBROT:2017:7246

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 september 2017
Publicatiedatum
21 september 2017
Zaaknummer
C/10/481525 / HA ZA 15-798
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SrArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige daad en administratieplicht bij inkoop van auto-onderdelen uit gestolen voertuigen

De stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) vordert jegens een handelaar in tweedehands auto-onderdelen, hierna [gedaagde], wegens onrechtmatige daad en mogelijke schending van de administratieplicht ex artikel 437 Sr Pro. VbV stelt dat [gedaagde] onderdelen inkoopt die afkomstig zijn uit gestolen auto's en daarmee onrechtmatig handelt.

De rechtbank overweegt dat er geen strafrechtelijke veroordeling voor diefstal of heling van [gedaagde] is en dat VbV haar stelling over diefstal onvoldoende onderbouwt. De vraag of sprake is van heling wordt meegenomen in de beoordeling van de onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW Pro.

Daarnaast staat centraal of de administratieplicht uit artikel 437 Sr Pro. en het bijbehorende uitvoeringsbesluit ook geldt voor handelaren in auto-onderdelen, aangezien deze plicht traditioneel geldt voor handelaren in auto's zelf. VbV krijgt de gelegenheid zich nader uit te laten over deze vraag, waarna [gedaagde] mag reageren.

De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 18 oktober 2017 voor nadere conclusies, en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere conclusies over de toepassing van artikel 437 Sr. op handelaren in auto-onderdelen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/481525 / HA ZA 15-798
Vonnis van 20 september 2017
in de zaak van
de stichting
STICHTING VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT,
gevestigd te Apeldoorn,
eiseres,
advocaat mr. R.R. Schuldink te Hardenberg,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
zaak doende te [zaakadres] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.F. van Immerseel te Amsterdam.
Partijen zullen hierna VbV en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 29 juni 2016,
  • de “akte inlichtingen, tevens overlegging producties, alsmede wijziging eis,” van VbV,
  • de antwoordakte van [gedaagde] ,
  • de akte overlegging productie, van VbV,
  • de verlening van akte niet dienen (geen antwoordakte genomen door [gedaagde] ).
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
[gedaagde] handelt in tweedehands auto-onderdelen. In geding is, kort samengevat, de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, en deswege schadeplichtig is, jegens (achtermannen van) VbV, door onderdelen die afkomstig zijn uit gestolen auto’s in te kopen/ voorhanden te hebben, dan wel zelf gestolen te hebben.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door VbV omdat niet duidelijk was of VbV gerechtigd is om in rechte op te treden namens alle schadelijdende partijen. Vbv heeft deze akte genomen en [gedaagde] heeft daarop een antwoordakte genomen. De rechtbank komt hier later op terug.
2.3.
VbV maakt aan [gedaagde] de verwijten dat hij:
- zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en/of heling,
- niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht bij en krachtens art. 437 Sr Pro.,
- onrechtmatig heeft gehandeld (ex art. 6:162 BW Pro) omdat op het bedrijfsterrein van [gedaagde] meermaals gestolen auto-onderdelen zijn aangetroffen.
diefstal en/ of heling
2.4.
VbV stelt niet dat [gedaagde] ooit is veroordeeld voor diefstal of heling. Van een - al dan niet onherroepelijk - strafrechtelijk vonnis waarbij [gedaagde] , is veroordeeld voor diefstal of heling is geen sprake, althans daar wordt niets over gesteld. Op de grondslag van een strafrechtelijke veroordeling is de vordering derhalve niet toewijsbaar.
2.5.
Ook zonder een strafrechtelijke veroordeling kan echter sprake zijn geweest van diefstal of heling. Dat zou dan in de onderhavige procedure vastgesteld moeten worden. Het standpunt van VbV laat zich aldus samenvatten dat er auto-onderdelen zijn aangetroffen op het bedrijfsterrein van [gedaagde] die afkomstig zijn uit gestolen auto’s. Dit standpunt zou hoogstens kunnen betekenen dat sprake is geweest van heling, maar niet dat (ook) sprake is geweest van diefstal. VbV onderbouwt haar stelling dat [gedaagde] zich (zelf) heeft bezondigd aan diefstal in het geheel niet. Op die grondslag zal de vordering derhalve worden afgewezen. De vraag of mogelijk sprake is geweest van heling worden beoordeeld bij de vraag of [gedaagde] artikel 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad) heeft geschonden.
art. 437 Sr Pro.
2.6.
De eerste vraag is of het beroep van VbV op artikel 437 Sr Pro. en het daarop gebaseerde “Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan slagen. Krachtens art. 437 Sr Pro. en dit besluit (een algemene maatregel van bestuur) wordt aan handelaren in bepaalde soorten goederen een administratieplicht opgelegd die inhoudt dat de handelaar zich vergewist van de identiteit van de verkoper van wie hij deze goederen inkoopt en diens identiteit vastlegt, in het geautomatiseerde systeem “DOR.” Deze handelaren plegen van oudsher te worden aangeduid met de term “gruthokkers” (goudsmid, rijwielhandelaar, uitdrager, tagrijn, horlogemaker, opkoper en kashouder). Artikel 1 lid 1 van Pro voormeld besluit luidt:
“De handelaren, bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.”
Volgens deze definitie geldt de voormelde administratieplicht voor handelaren in auto’s,
maar niet voor handelaren in auto-onderdelen. VbV lijkt dit overigens zelf ook al te onderkennen, nu zij in haar dagvaarding stelt dat de aan [gedaagde] verweten gedragingen (slechts) onder de “
strekking” van artikel 437 Sr Pro. vallen, en dus niet onder de letterlijke wettekst.
2.7.
Deze kwestie is nog niet (voldoende) aan de orde geweest in de onderhavige procedure. Ter vermijding van een verrassingsbeslissing zal VbV in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of art. 437 Sr Pro een wettelijke administratieplicht voor de professionele inkoper van auto-onderdelen inhoudt. [gedaagde] zal hierop mogen reageren.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting van
18 oktober 2017voor het nemen van een nadere conclusie door VbV over de vraag of art. 437 Sr Pro. geldt voor handelaren in auto-onderdelen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.
2517/106