De betaaldienstverlener [eiseres] kreeg van De Nederlandsche Bank (DNB) bestuurlijke boetes opgelegd wegens het niet uitvoeren van identificatie van uiteindelijk belanghebbenden, het nalaten van PEP-screening en het niet uitvoeren van controles tegen sanctielijsten, in strijd met de Wwft en Sanctiewet. Na bezwaar verlaagde DNB de boete van €125.000,- naar €100.000,- vanwege verslechterde financiële positie van [eiseres].
[Eiseres] voerde aan dat zij in haar verdedigingsrechten was geschaad door een gefabriceerd gespreksverslag en dat zij wel degelijk de vereiste onderzoeken had uitgevoerd. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat het onderzoek van cliëntdossiers en bezoekverslagen van de Compliance Officer de overtredingen voldoende onderbouwden en [eiseres] de juistheid van het verslag niet had weersproken.
Ook het betoog dat de boete onevenredig was en niet in lijn met het handhavingsbeleid van DNB werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de boete passend was gezien de ernst, duur en verwijtbaarheid van de overtredingen en het punitieve en preventieve karakter van bestuurlijke boetes. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.