Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding van 3 april 2017 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis van 18 mei 2017 waarin een comparitie van partijen is bepaald.
Rechtbank Rotterdam
Op 20 oktober 2012 is een geldleningsovereenkomst gesloten tussen eiseres en haar toenmalige stiefvader, waarbij een bedrag van €17.621,- werd geleend met een looptijd tot 19 oktober 2020. Jaarlijks diende minimaal €2.500,- te worden afgelost, waarvan een deel op een geblokkeerde rekening moest worden gestort.
Eiseres vorderde betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf 4 augustus 2016 en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde betwistte de vordering en stelde dat mogelijk al betalingen waren verricht, dat geen rente verschuldigd was vanwege een rentevrijstelling in de overeenkomst en dat de incassokosten niet toewijsbaar waren vanwege een onjuiste betalingstermijn in de sommatiebrief.
De rechtbank oordeelde dat het verweer van gedaagde onvoldoende was onderbouwd en kende de hoofdsom en wettelijke rente toe, omdat wettelijke rente als schadevergoeding geldt bij niet-nakoming. De vordering tot incassokosten werd afgewezen vanwege een niet-conforme betalingstermijn in de sommatiebrief. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen.