ECLI:NL:RBROT:2017:8007

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 juli 2017
Publicatiedatum
24 oktober 2017
Zaaknummer
C/10/530423/KG ZA 17-734
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming voor reis met minderjarigen naar Israël

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming om samen met zijn twee minderjarige kinderen naar Israël te reizen voor familiebezoek en het bezoeken van heilige plaatsen. De vrouw, met wie hij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefent, was tegen dit verzoek en stelde dat de kinderen bang waren voor de reis en dat de vader vooral orthodox-joodse vrienden wilde bezoeken die in onveilige gebieden wonen.

De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de geplande vertrekdatum en dat een materiële beoordeling noodzakelijk was. Uit de feiten bleek dat de kinderen nog nooit in het buitenland waren geweest en nog nooit gevlogen hadden, wat de reis extra spannend maakte. Daarnaast wees de rechtbank op de veiligheidsrisico's in Israël, waaronder terroristische aanslagen en geweld, zoals vermeld op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

De rechtbank vond dat het belang van de kinderen om een veilige vakantie met hun vader te hebben zwaarder woog dan de wens van de vader om hen kennis te laten maken met zijn familie in Israël. De mogelijkheid om de familie elders te ontmoeten zonder veiligheidsrisico's speelde hierbij een rol. Daarom wees de rechtbank het verzoek van de man af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot vervangende toestemming voor een reis met minderjarige kinderen naar Israël af wegens veiligheidsrisico's en het belang van de kinderen voor een veilige vakantie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Familie team
zaaknummer / rolnummer: C/10/530423 / KG ZA 17-734
Vonnis in kort geding van 27 juli 2017
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te Rotterdam,
eiser,
advocaat mr. A.B. van Waesberghe-Janssen te Zoetermeer,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. F. Oirbans te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties d.d. 6 juli 2017.
1.2.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 juli 2017.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de man met zijn advocaat mr. Van Waesberghe-Janssen;
- de vrouw met haar advocaat mr. Oirbans.
Ter zitting is van de zijde van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben twee thans minderjarige kinderen:
[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2009 te Rotterdam en
[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2012 te Rotterdam.
2.2.
De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert uitvoerbaar bij voorraad samengevat – hem vervangende toestemming te verlenen om samen met de minderjarigen in verband met familiebezoek naar Israël te reizen in de maand augustus 2017 en de vrouw dient hiervoor voor de duur van de reis de paspoorten van de minderjarigen aan de man te geven, op straffe van een dwangsom.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Alvorens toe te komen aan de materiële beoordeling van de vorderingen van de man, dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang waarbij de vraag beantwoord dient te worden of een bodemprocedure afgewacht kan worden. De man stelt dat hij al tickets heeft geboekt en de geplande vertrekdatum 1 augustus 2017 is. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de gevorderde voorziening zodat de voorzieningenrechter zal overgaan tot een materiële beoordeling van de vorderingen.
4.2.
De man stelt dat het een wens van hem is om de minderjarigen kennis te laten maken met zijn familieleden in Israël. Daarnaast wil hij graag met de minderjarigen belangrijke heilige plaatsen in Israël bezoeken, zoals de Klaagmuur. De minderjarigen kijken hier ook naar uit, vooral omdat andere kinderen van Joodse les ook naar Israël zijn geweest, aldus de man. De vrouw betwist dat de minderjarigen naar deze reis uitkijken en stelt dat de oudste minderjarige heeft aangegeven bang te zijn voor deze reis en zelfs moeite heeft met slapen. De vrouw betwist ook dat de man voor familiebezoek naar Israël wil afreizen. Zij stelt dat de man naar Israël wil afreizen om zijn orthodoxe Joodse vrienden te bezoeken, die ook sterk politiek geëngageerd zijn. Veel van zijn vrienden wonen volgens de vrouw in onveilig gebied. De vrouw is van mening dat de minderjarigen niet bloot hoeven te worden gesteld aan een dreiging van een aanslag of aan het risico om getuige te worden van een aanslag. De vrouw gunt de man een vakantie met de minderjarigen maar zij meent dat hij ook een veiliger land kan kiezen waar hij de minderjarigen zijn familie laat ontmoeten.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op de site van het ministerie van Buitenlandse Zaken is te lezen dat er in Israël sprake is van code geel. Dit houdt in dat er bepaalde veiligheidsrisico’s zijn. Er is vaak sprake van geweld, waarbij men moet denken aan schietpartijen, steekpartijen en het gooien van molotovcocktails naar voertuigen. Ook zijn er geregeld aanslagen en worden er zelfmoordacties gepleegd. Volgens het ministerie bestaat er dus een kans dat men slachtoffer wordt van een terroristische aanslag. Voorts staat er beschreven dat indien er sprake is van een (gedeeltelijk) niet-Westerse achtergrond, hetgeen bij de minderjarigen het geval is, men dan meestal op het vliegveld van Ben Gurion lang en grondig wordt ondervraagd, ook als men in het bezit is van een Westers paspoort. Onbetwist is in onderhavige zaak gesteld dat de minderjarigen nog nooit in het buitenland op vakantie zijn geweest. Een vakantiereis met het vliegtuig voor minderjarigen die in hun leven nog nooit in het buitenland zijn geweest, is al heel erg spannend. Indien die vakantiereis ook nog eens gepaard gaat met de hiervoor beschreven veiligheidsrisico’s waaraan de minderjarigen kunnen worden blootgesteld, is dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter direct over de top (van de spanningsboog van de kinderen). In dat licht bezien weegt de wens van de man om de minderjarigen kennis te kunnen laten maken met zijn familieleden en het bezoeken van heilige plaatsen in Israël niet op tegen het belang van de minderjarigen om op een veilige plek een vakantie met hun vader door te brengen. Ook al is de kans klein, zoals de man stelt, toch is de kans aanwezig dat de minderjarigen bloot worden gesteld aan voornoemde veiligheidsrisico’s. Dit, terwijl de minderjarigen de familieleden van de man ook elders dan in Israël kunnen ontmoeten, alwaar deze veiligheidsrisico’s niet bestaan. De vordering van de man zal derhalve worden afgewezen.
4.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. Kuip en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.