Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing
en vaststellen omgangsregeling
in de zaak van
[naam van de moeder] , hierna te noemen de moeder,
,
Rechtbank Rotterdam
De moeder verzocht de rechtbank om het besluit van de gecertificeerde instelling (GI) te vernietigen waarin zij weigerde een omgangsregeling schriftelijk vast te leggen. De GI had geweigerd een schriftelijke aanwijzing te geven vanwege zorgen over het gedrag van de moeder en de minderjarigen, mede na een incident waarbij een kind grensoverschrijdend gedrag vertoonde. De moeder wilde een onbegeleide omgangsregeling, terwijl de GI een stapsgewijze uitbreiding van begeleide omgang prefereerde.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van de GI niet voldeed aan de vereisten van zorgvuldigheid en motivering zoals vereist op grond van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de moeder niet in de gelegenheid was gesteld haar zienswijze te geven en de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd. Daarom verklaarde de rechtbank de schriftelijke aanwijzing vervallen.
Vervolgens stelde de rechtbank op grond van artikel 1:265f lid 2 BW een omgangsregeling vast die in het belang van de minderjarigen is. Gezien het grillige gedrag van de moeder en het belang van de kinderen werd een begeleide omgang vastgesteld: eenmaal per zes weken anderhalf uur voor de oudste twee kinderen en eenmaal per maand een uur voor het jongste kind, tot 1 september 2018. Een uitgebreidere omgangsregeling werd afgewezen.
De beschikking werd openbaar uitgesproken door kinderrechter M.J. van den Broek-Prins op 21 augustus 2017 in Rotterdam.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling wordt vervallen verklaard en er wordt een begeleide omgangsregeling vastgesteld tot 1 september 2018.