In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 22 augustus 2017 een beslissing genomen over het verzoek van de verdachte tot opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Deze beslissing vormde een eindbeslissing waarmee de behandeling van de zaak door de rechter werd afgesloten.
Op 14 september 2017 heeft de advocaat van de verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de beslissing had genomen. De rechtbank heeft overwogen dat wraking bedoeld is om de onpartijdigheid van de rechter te waarborgen zolang deze nog betrokken is bij de behandeling van de zaak.
Omdat het wrakingsverzoek pas na de eindbeslissing was ingediend en de rechter de zaak niet meer behandelde, oordeelde de rechtbank dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was. Op grond hiervan werd het wrakingsverzoek zonder inhoudelijke behandeling afgewezen.