ECLI:NL:RBROT:2017:8864
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verlenging standplaatsvergunning in standplaatsvrije zone
Verzoekster exploiteert sinds 1986 een mobiele loempiakraam op een standplaats die sinds 2004 als standplaatsvrije zone is aangewezen. Na een afbouwperiode van tien jaar, die in 2014 eindigde, werd haar vergunning nog enkele malen verlengd tot 31 oktober 2017. Verzoekster stelde dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht rekenen op verdere verlenging tot de ingebruikname van een nieuw zwembad, gebaseerd op een e-mailbericht van 31 oktober 2016.
De rechtbank oordeelt dat het e-mailbericht geen ondubbelzinnige toezegging bevat die rechtens te honoreren verwachtingen schept. De mededeling dat de verlenging de laatste zou zijn en dat vanaf 1 november 2017 geen verdere verlenging zou plaatsvinden, maakt het beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende. Verder is het feit dat alternatieve locaties of vestiging in een kiosk zijn genoemd, niet relevant voor de beoordeling van het beroep.
De voorzieningenrechter acht nader onderzoek niet noodzakelijk en spreekt onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak uit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; de standplaatsvergunning wordt niet verlengd.