ECLI:NL:RBROT:2017:8864

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2017
Publicatiedatum
13 november 2017
Zaaknummer
17/5390 en 17/6263
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering verlenging standplaatsvergunning in standplaatsvrije zone

Verzoekster exploiteert sinds 1986 een mobiele loempiakraam op een standplaats die sinds 2004 als standplaatsvrije zone is aangewezen. Na een afbouwperiode van tien jaar, die in 2014 eindigde, werd haar vergunning nog enkele malen verlengd tot 31 oktober 2017. Verzoekster stelde dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht rekenen op verdere verlenging tot de ingebruikname van een nieuw zwembad, gebaseerd op een e-mailbericht van 31 oktober 2016.

De rechtbank oordeelt dat het e-mailbericht geen ondubbelzinnige toezegging bevat die rechtens te honoreren verwachtingen schept. De mededeling dat de verlenging de laatste zou zijn en dat vanaf 1 november 2017 geen verdere verlenging zou plaatsvinden, maakt het beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende. Verder is het feit dat alternatieve locaties of vestiging in een kiosk zijn genoemd, niet relevant voor de beoordeling van het beroep.

De voorzieningenrechter acht nader onderzoek niet noodzakelijk en spreekt onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak uit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; de standplaatsvergunning wordt niet verlengd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4
zaaknummers: ROT 17/5390 en ROT 17/6263
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak tussen
[verzoekster],
gemachtigde: mr. Z.M. Nasir,
en

de gebiedscommissie Charlois, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats op [het adres] voor de periode van 1 maart 2017 tot en met 31 oktober 2017.
Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2017. Verzoekster is verschenen, vergezeld door haar zoon en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder ter zitting aanwezig [persoon 1] en [persoon 2].

Overwegingen

1. Verzoekster exploiteert sinds 23 augustus 1986 een (mobiele) loempiakraam ter plaatse van [het adres]. In februari 2004 heeft de toenmalige Deelgemeente Charlois het besluit genomen het gebied waar verzoekster haar wagen exploiteert als een standplaatsvrije zone aan te merken. Met verzoekster is afgesproken dat haar, gelet op de lange duur dat zij haar standplaats al exploiteerde en haar persoonlijke omstandigheden, een afbouwperiode van 10 jaar werd gegund, welke in februari 2014 afliep. De standplaatsvergunning van verzoekster is ook na februari 2014 nog verleend. Bij besluit van 18 mei 2015 heeft verweerder een vergunning verleend voor de periode van 1 mei 2015 tot 1 maart 2017.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat voor de laatste keer een vergunning is verleend over de periode van 1 maart 2017 tot 31 oktober 2017 omdat de standplaats zich bevindt in een standplaatsvrije zone.
3. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Dat de gemachtigde van verzoekster nog nader onderzoek wil doen en dat hij pas kort bij de zaak is betrokken, maakt dit niet anders. Ter zitting heeft verzoekster onvoldoende kunnen concretiseren wat voor nieuwe gegevens nader onderzoek nog zou kunnen opleveren. In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, zich ten aanzien van het verlenen van de standplaatsvergunning na februari 2014 baseert op ongepubliceerd buitenwettelijk begunstigend beleid.
5. Verzoekster beroept zich op het vertrouwensbeginsel. In dat verband wijst zij erop dat zij rechtens te honoreren verwachtingen mocht ontlenen aan een e-mailbericht van 31 oktober 2016 waarin een schriftelijke weergave wordt gegeven van een gesprek op 26 oktober 2016 dat verzoekster had met medewerkers van verweerder en een vertegenwoordiger van het nieuwe zwembadcomplex. Volgens verzoekster is de verwachting waar zij op mocht vertrouwen dat haar standplaatsvergunning verlengd zou worden tot de ingebruikname van het nieuwe zwembad. Omdat het nieuwe zwembad nog niet in gebruik is genomen, moet haar vergunning volgens haar worden verlengd.
5.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:30) volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.
5.2.
Het e-mailbericht waar verzoekster haar beroep op het vertrouwensbeginsel op baseert heeft als onderwerp ‘hoofdlijn gesprek woensdag 26 oktober 2016’. In dit e-mail bericht is onder meer het volgende opgenomen:
“…Zoals eerder met u afgesproken en al meermaals gecommuniceerd, is in dit gesprek bevestigd dat uw huidige standplaatsvergunning in het [gebied], momenteel lopend tot 1 maart 2017, verlengd wordt tot de ingebruikneming van [het nieuwe zwembad]. Met u is afgesproken dat uw huidige standplaatsvergunning verlengd wordt tot en met 31 oktober 2017…
...In het gesprek is benadrukt dat zoals eerder in uw richting is gecommuniceerd, dat dit de laatste verlenging van uw huidige standplaatsvergunning is en dat hoe dan ook vanaf 1 november 2017 geen sprake meer is van verlenging daarvan...
..U bent hierdoor in aanloop naar de ingebruikneming van [het nieuwe zwembad] en uw meermaals geuite wens om hierin een commerciële ruimte te betrekken, bij wijze van uitzondering in gelegenheid gesteld om uw verkoopactiviteit in het [gebied] te continueren. Dit terwijl andere aanvragen voor een standplaats in het [gebied] hun wens niet gehonoreerd hebben gezien. Deze coulance eindigt met de ingebruikneming van het nieuwe zwembad…”
5.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het e-mailbericht geen ondubbelzinnige toezegging. Weliswaar staat er dat de standplaatsvergunning wordt verlengd tot de ingebruikneming van het nieuwe zwembad, doch er staat ook dat de verlenging de laatste is en dat er vanaf 1 november 2017 geen sprake meer is van een verlenging daarvan. Dat aan deze laatste zinsnede geen waarde kan worden gehecht, zoals verzoekster betoogt, omdat verweerder ook na de in het besluit van 18 mei 2015 genoemde periode van 1 mei 2015 tot 1 maart 2017 bij het primaire besluit de standplaatsvergunning nogmaals heeft verleend, volgt de voorzieningenrechter niet. Anders dan in het primaire besluit is in het besluit van 18 mei 2015 immers niet vermeld dat dit de laatste maal is dat de standplaatsvergunning is verleend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel van verzoekster slaagt derhalve niet. Wat partijen overigens ter zitting hebben aangevoerd over de lezing van het e-mailbericht, kan gelet op het voorgaande verder onbesproken blijven.
5.4.
Wat verzoekster verder in haar beroepschrift heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De mogelijkheden voor een alternatieve locatie voor haar [kraam] of de eventuele vestiging in een kiosk zijn geen onderwerp van geschil en kunnen dan ook niet bij de beoordeling worden betrokken.
6. Uit het voorgaande volgt dat in beroep ongegrond is en dat, gelet hierop, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hielkema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open.