Op 6 juli 2017 werd verdachte in Rotterdam betrapt op het voorhanden hebben van twee vuurwapens, een Star 28DA kaliber 9 mm met 13 kogelpatronen en een Walther Ppk kaliber 7,65 mm met 6 kogelpatronen. De verdachte had de wapens in een tasje en moest dit afleveren op het Zuidplein, waar hij 500 euro zou ontvangen. Hoewel hij op enig moment zag wat hij vervoerde, zette hij zijn handelingen voort.
De rechtbank oordeelde dat het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens een groot veiligheidsrisico vormt en dat het feit strafbaar is volgens artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden. Verdachte was niet eerder veroordeeld, maar gezien de ernst van het feit werd een gevangenisstraf passend geacht.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van tien maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht. De beperkte maar essentiële rol van verdachte bij de verspreiding van wapens werd meegewogen bij de strafmaat. Verdachte werd vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden verklaard.