Art. 40 lid 2 GeneesmiddelenwetArt. 310 SrArt. 312 lid 2 SrArt. 3a lid 5 OpiumwetArt. 11 lid 2 Opiumwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak diefstal met geweld en overtreding Geneesmiddelenwet wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal met geweld, het in voorraad hebben van geneesmiddelen zonder handelsvergunning en het bezit van hennep. De tenlasteleggingen betroffen een diefstal op 11 juni 2017 en het aantreffen van een grote hoeveelheid geneesmiddelen en hennep op 26 juli 2017.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding voldoende concreet en duidelijk was en verwierp het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De verdediging stelde dat de tas met waardevolle spullen vrijwillig was gegeven, maar de rechtbank vond het bewijs voor diefstal met geweld onvoldoende, mede omdat het alternatieve scenario van vrijwillige afgifte niet kon worden uitgesloten.
Ten aanzien van de geneesmiddelen concludeerde de rechtbank dat hoewel een grote hoeveelheid geneesmiddelen zonder handelsvergunning was aangetroffen, er geen aanwijzingen waren dat deze met het oog op handelingen in het economisch verkeer in voorraad waren gehouden. De verdachte verklaarde dat de geneesmiddelen voor eigen gebruik waren, wat werd ondersteund door de staat van de verpakkingen. Daarom werd verdachte ook vrijgesproken van deze tenlastelegging.
De verdachte werd eveneens vrijgesproken van het bezit van hennep. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal met geweld, overtreding Geneesmiddelenwet en bezit hennep wegens onvoldoende bewijs.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/810339-17
Datum uitspraak: 8 december 2017
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,
raadsman mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam.
1.Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2017.
2.Tenlastelegging
De verdachte wordt onder feit 1 verdacht van een diefstal met geweld op 11 juni 2017 op de Ceintuurbaan in Rotterdam, onder feit 2 van het op 26 juli 2017 in voorraad hebben van een grote hoeveelheid geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt en onder feit 3 van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 3 kilogram hennep op 26 juli 2017. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3.Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. E. Loppé heeft gevorderd:
vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij het Dok en een contactverbod met [naam slachtoffer 1] en [naam] , welk contactverbod gecontroleerd dient te worden met een elektronisch controlemiddel;
dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde bijzondere voorwaarden.
4.Geldigheid dagvaarding feit 2
4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding - wat het onder 2 ten laste gelegde feit betreft - nietig is, omdat in de tenlastelegging niet staat wat nu precies strafbaar is en hoeveel geneesmiddelen de verdachte wel in voorraad had mogen hebben. Het is niet duidelijk waartegen verweer dient te worden gevoerd.
4.2.
Beoordeling
Artikel 261 vanPro het Wetboek van Strafvordering eist dat de tenlastelegging een voldoende duidelijke, concrete en feitelijke omschrijving bevat van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Het moet immers aan de hand van die omschrijving voor verdachte begrijpelijk zijn waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zijn verdediging moet richten. De tenlastelegging is geformuleerd conform de strafbepaling van artikel 40 lid 2 vanPro de Geneesmiddelenwet en is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, concreet en feitelijk. Uit de tenlastelegging volgt immers dat de verdacht wordt verdacht van het in voorraad hebben van geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt. In de tenlastelegging is bovendien vermeld om welke geneesmiddelen en welke hoeveelheden het gaat. Het moet de verdediging op grond daarvan voldoende duidelijk zijn waartegen verweer dient te worden gevoerd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
4.3.
Conclusie
De dagvaarding is geldig.
5.Ontvankelijkheid officier van justitie feit 2
5.1.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor feit 2. Bij een eerdere huiszoeking in de woning van de verdachte in april 2017 waren de geneesmiddelen al zichtbaar aanwezig, maar de politie heeft daar toen geen gevolgen aan verbonden. De politie had de verdachte toen moeten melden dat de hoeveelheid geneesmiddelen die hij in huis had, een probleem kon gaan opleveren.
5.2.
Beoordeling
De door de verdediging gestelde omstandigheid, dat niet bij een eerdere doorzoeking door de politie gemeld is dat de hoeveelheid geneesmiddelen die de verdachte in huis had een probleem kon gaan opleveren, levert – wat er verder ook zij van de juistheid van die stelling – geen ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het zogenoemde Zwolsman-criterium, HR 19 december 1995, NJ 1996, 249). Daarbij vindt de rechtbank van belang dat niet vast staat dat dezelfde hoeveelheid medicatie wel aanwezig was bij de eerdere doorzoeking in april. Naar het oordeel van de rechtbank faalt om bovenstaande redenen het beroep op niet-ontvankelijkheid.
5.3.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
6.Waardering van het bewijs
6.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering feit 3
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
6.2.
Vrijspraak feit 1 en 2
6.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De verdachte stelt dat hij slechts heeft bemiddeld in een conflict over de terugbetaling van de waarde van een auto en dat de aangever hem vrijwillig – zelfs tegen de wil van de verdachte – een tas met waardevolle spullen als onderpand heeft meegegeven.
6.2.2.
Standpunt officier van justitie
De door de verdachte ten aanzien van feit 1 afgelegde verklaring is onaannemelijk. Deze verklaring is pas afgelegd op het moment dat de verdachte geconfronteerd werd met nadere feiten en omstandigheden omtrent het feit. De andere twee personen die aanwezig waren in de auto waarin de verdachte naar de aangever is toegereden, wil de verdachte niet bij naam noemen, terwijl zij zijn verhaal zouden kunnen bevestigen. De verklaring van de aangever is daarentegen wel aannemelijk en duidt op alles behalve een vrijwillige afgifte van de tas. De aangifte wordt ondersteund door de tapgesprekken in het dossier en het feit dat de aangever meteen na het incident de politie heeft gebeld. Het onder 1 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden.
De onder feit 2 genoemde geneesmiddelen zijn in de woning aangetroffen. De verdachte heeft bij de politie te kennen gegeven dat die geneesmiddelen van hem waren. Dat voor de aangetroffen geneesmiddelen geen handelsvergunning was afgegeven, is door de Inspectie voor de Gezondheidszorg vastgesteld. Het onder feit 2 ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden, aldus de officier van justitie.
6.2.3.
Beoordeling
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de aangever en de verdachte op 11 juni 2017 een ontmoeting hebben gehad hebben op de Ceintuurbaan te Rotterdam, waarna de verdachte met een rugzak met spullen van aangever naar huis is gegaan. Hoe die rugzak in het bezit van de verdachte is gekomen en of daarbij geweld gebruikt is, kan aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Alleen de aangever verklaart dat de rugzak door (bedreiging met) geweld in het bezit van de verdachte is gekomen. Steunbewijs voor die stelling ontbreekt. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, namelijk dat aangever de rugzak vrijwillig aan hem heeft gegeven als ‘blijk van vertrouwen’ en - zo begrijpt de rechtbank de verklaring van de verdachte - als onderpand totdat aangever een aan [naam] verschuldigd geldbedrag zou hebben betaald, zou zich net zo goed kunnen hebben voorgedaan. De inhoud van de tapgesprekken in het dossier sluit het scenario van de verdachte niet uit. Er bevindt zich aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier om tot een bewezenverklaring van feit 1 te komen.
Dat er een grote hoeveelheid geneesmiddelen in het huis van de verdachte is aangetroffen en dat er voor die geneesmiddelen geen handelsvergunning was afgegeven, is door de Inspectie voor de Gezondheidszorg vastgesteld. Dit is evenwel nog niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de verdachte deze geneesmiddelen “in voorraad” heeft gehad als bedoeld in artikel 40 lid 2 vanPro de Geneesmiddelenwet. Het verbod van artikel 40, lid 2 van de Geneesmiddelenwet spitst zich gelet op de Memorie van Toelichting toe op bedrijfsmatige activiteiten. Het strafbaar gestelde “in voorraad hebben” ziet op het bezit van een hoeveelheid geneesmiddelen om die vervolgens te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen of in te voeren. In ieder geval moet het gaan om een voorraad die wordt aangehouden met het oog op handelingen in het economisch verkeer.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de loop der jaren heel wat geneesmiddelen op internet heeft besteld voor zijn gezondheidsproblemen en dat vrijwel alle aangetroffen geneesmiddelen voor eigen gebruik waren. Deze verklaring wordt ondersteund door de omstandigheid dat de verpakkingen van de aangetroffen geneesmiddelen deels aangebroken waren, dat een deel van de medicijnen uit de aangebroken verpakkingen gebruikt was en dat een deel van de geneesmiddelen over de geldigheidsdatum was. De rechtbank heeft geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen die erop wijzen dat de verdachte de geneesmiddelen in huis had met het oog op handelingen in het economische verkeer. Ook de officier van justitie gaat daar overigens in haar requisitoir niet van uit.
Er kan dan ook niet worden bewezen dat de verdachte de geneesmiddelen in voorraad heeft gehad als bedoeld in artikel 40 lid 2 vanPro de Geneesmiddelenwet.
6.2.4.
Conclusie
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
7.Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.477,21 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.
Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
9.Beslissing
De rechtbank:
verklaart de dagvaarding geldig;
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. L. Amperse en G.A.J.M. van Vugt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 december 2017.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 11 juni 2017 te Rotterdam,
op of aan de openbare weg, te weten de Ceintuurbaan,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen
een tas (met daarin onder andere een laptop [merk Apple] en/of een geldgedrag van [ongeveer] 430 euro en/of vier, althans één of meer, telefoon[s] en/of telefoonladers en/of een tablet [merk Samsung] en/of een harde schijf en/of een powerbank en/of sleutels en/of één of meer SSD-kaartje[s]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:
- tonen van (een) mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), aan die [naam slachtoffer 1] en/of
- tonen en/of richten van een (op een) pistool (gelijkend voorwerp), aan/op die [naam slachtoffer 1] en/of
- drukken van een (op een) pistool (gelijkend voorwerp), in (de zijde van) het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of
- ( onverhoeds) rukken en/of trekken van voornoemde tas uit de hand(en) van die [naam slachtoffer 1] ;
art. 312 lid 2 ahfPro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 26 juli 2017 te Rotterdam een hoeveelheid van in totaal 27.256, althans een of meer, geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning geldt,te weten:
hij op of omstreeks 26 juli 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 3060 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;