De rechtbank Rotterdam behandelde op 16 november 2017 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van diefstal met geweld in een woning te Rotterdam op 4 februari 2017. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 30 maanden wegens bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Verdachte bekende aanwezig te zijn geweest in de woning, maar stelde daar alleen drugs te verkopen en niet betrokken te zijn bij de diefstal. De officier van justitie baseerde zijn betoog op telefonische contacten tussen verdachte en medeverdachten, DNA-sporen op sigarettenpeuken in de woning, en verklaringen van medeverdachten.
De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van de aangever wisselend waren en onvoldoende steun boden voor een bewezenverklaring. Het communicatiepatroon kon ook passen bij een drugsdeal. De rechtbank achtte het scenario van verdachte aannemelijk en sprak hem vrij wegens onvoldoende bewijs van medeplegen.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, waarbij verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.