ECLI:NL:RBROT:2018:10051

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2018
Publicatiedatum
7 december 2018
Zaaknummer
18.481 RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening 1346/2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring besloten vennootschap wegens opeisbare schulden aan Belastingdienst en De Thuiskopie

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot faillietverklaring van een besloten vennootschap, ingediend door de ontvanger van de Belastingdienst. Verweerster betwistte niet dat zij een bedrag aan de Belastingdienst verschuldigd is, maar stelde de hoogte van de vordering ter discussie. Tevens werd een steunvordering van De Thuiskopie aan de orde gesteld, waarvan de vordering aanzienlijk was toegenomen.

Tijdens de zitting werd een verzoek tot aanhouding van de procedure afgewezen, ondanks het feit dat de bestuurder van verweerster niet aanwezig kon zijn vanwege verblijf in het buitenland. De rechtbank oordeelde dat voldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren waaruit blijkt dat verweerster is opgehouden te betalen en dat er sprake is van opeisbare vorderingen van meerdere schuldeisers.

De rechtbank stelde vast dat verweerster een bedrag van ten minste € 37.761,00 aan de Belastingdienst verschuldigd is en dat de vordering van De Thuiskopie, ondanks betwisting, onvoldoende gemotiveerd werd weersproken. Op grond hiervan werd het faillissementsverzoek toegewezen, met benoeming van een rechter-commissaris en curator, en werden de bevoegdheden van de curator vastgesteld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de besloten vennootschap failliet wegens opeisbare schulden aan de Belastingdienst en De Thuiskopie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 16 oktober 2018
VONNIS op het op 6 september 2018 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van
DE ONTVANGER VAN DE
BELASTINGDIENST/MIDDEN-EN KLEINBEDRIJF
mede kantoorhoudende te Rotterdam,
verzoekster,
Rijksadvocaat: mr. E.E. Schipper,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] ,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [adres] ,
[woonplaats]
verweerster,
advocaat: mr. Q. Kendall

1.De procedure

Verzoekster, bij monde van mr. P.J.A.A. Dingjan, jurist, de heer [naam 1] en de heer [naam 2] en verweerster, bij monde van mr. Q. Kendall, advocaat en de heer [naam 3] , boekhouder, zijn op 9 oktober 2018 in raadkamer gehoord.
Door mr. P.J.A.A. Dingjan zijn stukken in het geding gebracht.
Door mr. Q. Kendall zijn stukken in het geding gebracht.

2.De standpunten

Mr. Kendall heeft namens verweerster ter terechtzitting verzocht om aanhouding omdat de bestuurder van verweerster, de heer [naam 4] , zelf een inhoudelijke reactie wil geven, maar daartoe -in verband met zijn verblijf in het buitenland- niet in staat is. Daartoe overlegt
mr. Kendall de vluchtgegevens van de heer [naam 4] waaruit blijkt dat hij op 9 oktober 2018 om 20:00 uur op het vliegveld in Amsterdam landt.
Mr. Kendall heeft verder verklaard dat voor wat betreft de vordering van de aanvrager niet wordt betwist dat een bedrag aan de Belastingdienst verschuldigd is. Wel wordt de hoogte van de vordering betwist. Er is hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2018 waarin de (hoogte van de) vordering van de Belastingdienst ook door verweerster ter discussie is gesteld, zodat de vordering van de Belastingdienst nog niet vaststaat.
Ten aanzien van de steunvordering is door mr. Kendall aangevoerd dat De Thuiskopie een boekenonderzoek bij verweerster heeft willen doen, waartoe verweerster haar medewerking heeft verleend. Dit boekenonderzoek heeft echter nooit plaatsgevonden. Daarnaast is aangevoerd dat de laatste maanden door verweerster weinig activiteiten zijn verricht, zodat de vordering van De Thuiskopie niet erg kan zijn gestegen. Verweerster is nog steeds bereid om aan een boekenonderzoek medewerking te verlenen, evenals verweerster bereid is om een betalingsregeling te treffen met De Thuiskopie, indien blijkt dat verweerster een bedrag verschuldigd is.
Er is derhalve geen sprake van een toestand van opgehouden zijn te betalen.
Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard niet te kunnen instemmen met een aanhouding van het verzoek. Het hoger beroep slaat op één aanslag. Daarnaast staan er ook nog een tweetal andere aanslagen open. Wat de steunvordering betreft; uit het emailbericht van De Thuiskopie van 8 oktober 2018 blijkt dat hun vordering is toegenomen tot een bedrag van
€ 167.535,00.

3.De beoordeling

Het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het faillissementsverzoek wordt afgewezen. Mr. Kendall is als advocaat namens verweerder verschenen ter terechtzitting en daarmee is verweerder in de gelegenheid geweest om verweer te voeren.
Ingevolge artikel 6 van Pro de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank heeft geconstateerd dat haar voldoende is gebleken van een vordering van verzoekster. Weliswaar heeft verweerster hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank Den Haag van 23 augustus 2018, waarin verweerster is veroordeeld om aan verzoekster te betalen een bedrag van € 9.440,00, maar door verweerster wordt niet betwist dat een bedrag aan verzoekster verschuldigd is. Uit voornoemde beslissing van de Rechtbank Den Haag van 23 augustus 2018 volgt dat verweerster in ieder geval een bedrag van € 37.761,00 aan de verzoekster verschuldigd is. Dat bedrag is volgens punt 14 van voornoemde beslissing niet in geschil tussen partijen.
Voor wat betreft de steunvordering is de rechtbank van oordeel dat verweerster deze, tegenover de gemotiveerde stelling van verzoekster dat verweerster thans aan De Thuiskopie een bedrag van € 167.535,00 verschuldigd is, onvoldoende heeft betwist. Verweerster heeft slechts vermoedens geuit over de hoogte van de vordering van De Thuiskopie, maar daarmee heeft verweerster onvoldoende gemotiveerd betwist dat De Thuiskopie een vordering op verweerster heeft.
Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank,
- verklaart
[bedrijf], voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. W.J. Geurts-de Veld, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. S.A.H.J. Warringa, advocaat te Rotterdam;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid
van mr. D.H.H. Peters, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018 te 10:00 uur. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.