ECLI:NL:RBROT:2018:10056
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens onvolledige schuldenopgave en niet-naleving verplichtingen
De rechtbank Rotterdam heeft op 9 oktober 2018 de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van schuldenares. De bewindvoerder had verzocht om beëindiging vanwege tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen, waaronder het niet informeren over een hogere schuld aan de Belastingdienst en het niet voldoen aan de sollicitatie- en afdrachtverplichtingen.
Uit het dossier blijkt dat de schuld aan de Belastingdienst ruim € 30.000 hoger is dan bij toelating opgegeven, mede door terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over 2016 en 2017. Schuldenares had dit niet gemeld, ondanks het risico op terugvordering. Daarnaast is zij tekortgeschoten in het aanleveren van sollicitatiebewijzen en is een achterstand in boedelafdracht ontstaan.
De rechtbank oordeelt dat deze tekortkomingen verwijtbaar zijn en dat de beschermingsbewind onvoldoende is om een positieve wending te bewerkstelligen. Schuldenares had de rechtbank voorafgaand aan toelating moeten informeren over de hogere schuld en het terugvorderingsrisico. Ook had zij haar verplichtingen tijdens de regeling moeten nakomen.
De rechtbank beëindigt daarom de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub Pro c, d en f Faillissementswet. Tevens wordt het salaris van de bewindvoerder vastgesteld. Er zijn geen baten beschikbaar voor voldoening aan vorderingen, zodat geen faillissement van rechtswege ontstaat.
Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens onvolledige schuldenopgave en niet-naleving van verplichtingen.