Uitspraak
beslissing van de meervoudige kamer van 13 december 2018 op het verzoek van
Arriva Personenvervoer Nederland B.V. (Arriva), te Heerenveen,
N.V. Nederlandse Spoorwegen, NS Groep N.V.,
Abellio Limburg B.V., te Maastricht,
NS),
Rechtbank Rotterdam
Arriva heeft in deze bestuursrechtelijke procedure haar proceshouding meerdere malen gewijzigd. Aanvankelijk verzocht zij om handhaving van artikel 24 van Pro de Mededingingswet tegen NS, maar trok dit verzoek later in. Nadat ACM op basis van gedragingen die Arriva eerder had genoemd toch handhaving oplegde, wilde Arriva alsnog als partij deelnemen in bezwaar en beroep met een tegengesteld belang.
De rechtbank overweegt dat het toelaten van Arriva als partij onder deze omstandigheden in strijd is met de goede procesorde. Het verzoek om partijstelling wordt daarom afgewezen en de eerdere voorlopige toelating wordt ingetrokken.
De zaak betreft een boetebesluit tegen NS wegens misbruik van een economische machtspositie op het hoofdrailnet en de Limburgse concessie, vastgesteld door ACM en gehandhaafd in bezwaar. De gedragingen waarop ACM haar besluit baseert, komen in essentie overeen met die in het oorspronkelijke handhavingsverzoek van Arriva.
De rechtbank benadrukt dat artikel 8:26 Awb Pro een bevoegdheid is en niet verplicht om belanghebbenden toe te laten, zeker niet indien zij hun eerdere verzoeken hebben ingetrokken en vervolgens alsnog partij willen worden met een tegengesteld belang. De beslissing is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek van Arriva om als partij te worden toegelaten wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.