ECLI:NL:RBROT:2018:10695

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
7046813
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in kort geding wegens ontbreken spoedeisend belang bij salarisvordering

In deze zaak vordert eiser betaling van achterstallig salaris en incassokosten van gedaagde, met een dwangsom bij niet-nakoming. De vordering is ingesteld in kort geding en bodemprocedure, beide op 23 juli 2018 betekend.

De kantonrechter constateert dat in de bodemprocedure op 31 augustus 2018 een verstekvonnis is gewezen tegen gedaagde, zonder dat verzet is aangetekend. Hierdoor ontbreekt het spoedeisend belang voor de kortgedingvordering.

De mondelinge behandeling is komen te vervallen na verzoek tot beslissing op de stukken. De kantonrechter verklaart eiser niet-ontvankelijk en veroordeelt hem in de proceskosten, welke nihil zijn omdat gedaagde geen proceshandelingen heeft verricht.

Het vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 oktober 2018.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van spoedeisend belang bij de kortgedingvordering.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7046813 / VV EXPL 18-293
uitspraak: 25 oktober 2018 (bij vervroeging)
vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te Rotterdam,
eiser bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2018,
gemachtigde: mr. G.T. Poot te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.A. Brand te Utrecht.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kantonrechter heeft kennis genomen van het exploot van dagvaarding van 23 juli 2018 en de daarbij overgelegde producties.
1.2
De mondelinge behandeling stond gepland voor 18 oktober 2018. Bij faxbrief van 15 oktober 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] namens beide partijen verzocht de zaak op de stukken af te doen. De kantonrechter heeft dat verzoek ingewilligd, waarna de griffier dat telefonisch aan de gemachtigden heeft laten weten. De mondelinge behandeling heeft derhalve niet plaatsgevonden. Bedoelde faxbrief van 15 oktober 2018 zijdens [eiser] , met bijlagen, maakt eveneens onderdeel uit van de processtukken.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader, bij vervroeging, bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1
[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen € 22.036,65 aan achterstallig salaris en € 1.204,39 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven, alsmede om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke specificatie van het achterstallige salaris aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, wanneer [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 10.000,00.
2.2
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd.

3.De beoordeling

3.1
Gebleken is dat [eiser] onderhavige vordering eveneens in een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig heeft gemaakt. Geconstateerd wordt dat zowel de dagvaarding in de bodemprocedure als de dagvaarding in kort geding op 23 juli 2018 aan [gedaagde] zijn betekend.
De kantonrechter te Rotterdam heeft in de bodemprocedure op 31 augustus 2018 een verstekvonnis gewezen (zaaknummer 7125212 \ CV EXPL 18-32622). Niet gesteld, noch gebleken is dat [gedaagde] tegen bedoeld verstekvonnis verzet heeft aangetekend. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt daarom niet in te zien welk (nader) spoedeisend belang [eiser] heeft bij de onderhavige vordering in kort geding. [eiser] wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
3.2
[eiser] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt, zodat hij zal worden veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil nu [gedaagde] geen processuele handelingen heeft verricht.

4.De beslissing

De kantonrechter,
rechtdoende in kort geding:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen [gedaagde] ;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van
[gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
28356