Op 27 juni 2018 werd in een woning te Rotterdam een aanzienlijke hoeveelheid heroïne aangetroffen. De politie trof drugs en productiemiddelen in het zicht aan, waaronder een drukpers en bruine substanties, evenals latex handschoenen met DNA van de verdachte en een medeverdachte. De verdachte werd samen met anderen aangehouden.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte wetenschap had van de heroïne en dat deze zich binnen zijn machtssfeer bevond, mede gelet op de aangetroffen handschoenen en de nabijheid van de drugs. De hoeveelheid heroïne die wettig en overtuigend bewezen werd, bedroeg bijna 12 kilogram, minder dan de door het Openbaar Ministerie gestelde 29,59 kilogram, omdat een deel van de drugs te zeer buiten zicht was aangetroffen.
De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte medepleegde in het bezit van de heroïne en veroordeelde hem tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De straf is lager dan de eis van drie jaar vanwege de lagere bewezen hoeveelheid. Er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de maatschappelijke impact van harddrugs en het belang van een afschrikwekkende straf. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte werden meegewogen, waarbij geen recente soortgelijke veroordelingen bekend waren.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 12 december 2018.