Eiser vordert onder meer een verklaring voor recht dat hij een jachthuurovereenkomst heeft met de eigenaar van bepaalde percelen en dat een overeenkomst tussen de eigenaar en gedaagde nietig is. Gedaagde voert verweer dat hij geldige overeenkomsten heeft met de eigenaar en betwist de geldigheid van de overeenkomst tussen eiser en eigenaar.
De rechtbank beoordeelt per perceel of de eigenaar gerechtigd was het jachtrecht te verhuren aan eiser, mede gelet op de Flora- en faunawet die nietigheid van overeenkomsten regelt indien het jachtrecht reeds aan een ander was verhuurd. Voor zes percelen wordt vastgesteld dat de overeenkomst tussen eiser en eigenaar nietig is of niet is komen vast te staan dat een overeenkomst bestaat.
Voor twee percelen wordt eiser in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat hij een geldige overeenkomst heeft gesloten. De zaak wordt aangehouden en een nieuwe zitting gepland om bewijs te leveren en getuigen op te geven.
De uitspraak betreft een complexe civiele procedure over jachtrechten, waarbij de rechtbank nauwkeurig per perceel de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten beoordeelt en bewijsopdracht geeft voor onduidelijke gevallen.