De kantonrechter te Rotterdam heeft op 9 april 2018 uitspraak gedaan in een zaak tussen een werknemer en Meram Rotterdam West B.V. De werknemer werd op staande voet ontslagen wegens vermeende wederrechtelijke onttrekking van kasgelden, wat hij betwistte. Meram bracht bewijs in, waaronder camerabeelden en een accountantsverklaring, maar dit was onvoldoende om de dringende reden te bewijzen.
De werknemer betwistte de verklaringen van een getuige die stelde dat de werknemer en zijn broers kasgeld hadden gebruikt voor betalingen in Turkije. De kantonrechter oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen en vernietigde dit ontslag. De werknemer had zich beschikbaar gehouden voor werk en kreeg recht op doorbetaling van loon vanaf april 2017.
In het tegenverzoek van Meram tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd vastgesteld dat er sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, mede door de onterechte beschuldigingen aan het adres van de werknemer. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 juni 2018 zonder transitievergoeding, maar met een billijke vergoeding van € 1.000,- bruto vanwege het onrechtmatige ontslag.
Verder werd de werknemer veroordeeld om de bedrijfsauto binnen vijf dagen na betekening van de beschikking in te leveren, onder dreiging van een dwangsom. Vorderingen van Meram op grond van een rekening-courantovereenkomst werden afgewezen wegens ontbreken van partijstelling. De procedurekosten werden deels aan Meram opgelegd.